Home

De Joodse maankalender, de Romeinse zonnekalender

De spraakverwarring bij het bepalen van de eerste volle maan in de lente wordt beter begrijpbaar door kennis van de Joodse maankalender. Deze tekst is eveneens geschreven n.a.v. de vele vragen over de bijzondere paasdatum in 2019. De tekst van Elisabeth Vreede over het Paasfeest wordt gebruikt als basis.

Gebruikte bronnen o.a. http://www.christipedia.nl en http://www.nabkal.de/ostern.html#absatz0
Zie ook de website die vanuit Joodse achtergrond het Pesachfeest beschrijft: https://christenenvoorisrael.nl/isreality/pesach/

Het zichtbaar worden van de avondsikkel,
de nieuwe maand begint

Veel oude culturen hadden een maan-zonnekalender. De nieuwe maand begon kort na zonsondergang, wanneer laag aan de nog oplichtende westelijke hemel een ragfijn maansikkeltje even zichtbaar werd. Wanneer "het nieuwe licht / de nieuwe maan" waargenomen was, werd op de trompet geblazen, de "nieuwemaansdag" werd omgeroepen. Van avond tot avond was de sikkel breder en had ze bij zonsondergang een hogere stand. De wassende maan ging van avond tot avond later onder, ze bracht de volgende nacht meer en langer (grauw) maanlicht.

Het Hebreeuwse woord voor de nieuwe maansikkel is Chodesj - ook Chodesh gespeld -, dat eigenlijk ‘nieuw, vernieuwing' betekent. Het woord wordt voor de eerste dag van de maand, die begint met de nieuw wassende maan aan de avondhemel, en voor de maand zelf gebezigd.
Chodesj betekent dus zowel "Nieuwmaansdag" als ook "maanmaand", de periode tussen de ene nieuwe avondsikkel en de volgende. Deze duurt meestal 29 of 30 dagen.

Tussen "de eerste avond dat de wassende maan zichtbaar is" en "de avond dat de maan als volle maan opkomt" is er een wisselend aantal dagen. De duur van het wassen van de maan verandert van maand tot maand, van jaar tot jaar, deze schommelt om gemiddelden. In de twaalfde - vijftiende nacht na het trompetgeblaas geeft de (bijna) geheel ronde maan de hele nacht veel licht.

Toen men aan de maan het aantal dagen van de maand aflas, kon het aantal dagen tussen "de eerste avondsikkel" en de volle maan nogal verschillen. De maan beweegt geenszins als een machine. In de periode 1980 - 2020 had de maan minimaal 13 dagen, 21 uur en 45 minuten nodig voor het wassen van onzichtbare maan (conjunctie met de zon) tot volle maan (oppositie tot de zon). De maximale tijd was ruim 40 uur meer: 15 dagen, 14 uur en 38 minuten. (Deze tijden zijn berekend door Jean Meeus, "More mathematical astronomy morsels, Willmann-Bell USA, 2002)

Een voorbeeld: In Nederland wordt in 2019 de avondsikkel op 8 maart opnieuw zichtbaar (de eerste avond). Op 20 maart (de dertiende avond) komt de wassende, bijna volle maan bijna drie kwartier voor zonsondergang op. Op 21 maart staat om 2.43 uur de maan tegenover de zon (oppositie, volle maan). Ruim een half uur na zonsopkomst gaat de afnemende maan onder.
Op 6 april 2019 wordt de avondsikkel opnieuw zichtbaar (de eerste avond). Op 19 april (de veertiende avond) wordt de wassende maan overdag om 13.12 uur tot volle maan. De onzichtbare maan treedt in oppositie met de zon. Direct na zonsondergang komt de afnemende maan op.

"Des Heeren Pascha"
op de veertiende dag van de eerste maanmaand,
op 14 Nisan

"In de eerste maand, op den veertienden der maand, tussen twee avonden is des HEEREN Pascha" (Oude Testament, boek Leviticus 23:5)

De twaalfde maand van het jaar heette Adar Risjon, deze laatste maanmaand van het jaar was tegen het einde van de winter. De eerste maand van het nieuwe jaar heette Nisan. Op 10 Nisan werd het offerlam gekozen, het jonge dier bleef tot de 14e bij het gezin. Was het de afgelopen maanden nogal koud geweest en waren er nog maar weinig lammeren geboren, besloot de gezagdrager dat het jaar een extra maanmaand erbij kreeg, de dertiende Adar Sjenie (Adar 2). In zo´n schrikkeljaar volgde de maand Nisan dus op de dertiende maanmaand van het vorige jaar.

De Joden keken niet naar de hemel om te bepalen of er een extra maand nodig was. Zij lazen het af aan de natuur, aan de geboorte van de lammeren. (De Babyloniërs, die ook een maankalender hadden, lazen wel aan de hemel af of er een extra maand nodig was. Wanneer de maansikkel ´s avonds aan de Plejaden voorbijtrok, keken ze naar haar grootte.)

Elk volgend jaar begon de maand Nisan ongeveer 11 dagen vroeger in het zonnejaar. De maand Nisan behoorde de eerste lentemaand te zijn. In de tijd dat Christus leefde viel de eerste avond van de eerste maand van het nieuwe jaar, gezien vanuit de Romeinse kalender, niet vroeger dan begin maart en niet later dan begin april. Gedurende 2 of 3 jaar begon het Joodse nieuwe jaar steeds ongeveer 11 dagen vroeger. Daarna kwam er een jaar waarin de eerste avondsikkel van de eerste maand begin april zichtbaar werd. Het begin van het nieuwe jaar was als het ware een maanmaand uitgesteld. Het joodse Paschafeest viel dan laat in de lente, midden april.

In een periode van 19 jaar waren er gemiddeld 7 schrikkeljaren. Er waren 12 jaren met 12 maanmaanden van meestal 29 of 30 dagen en 7 jaren met 13 maanmaanden. Die extra maanmaanden waren nodig om de maandkalender in pas te laten lopen met de seizoenen. Zo moest bijv. de dag 14 Nisan in de lente zijn. Het kon ook voorkomen dat er in 19 jaar 5 of 8 schrikkeljaren waren.

Het Paschafeest ter herinnering aan de uittocht van Egypte werd in Christus tijd jaarlijks gevierd op de 14e dag van de eerste maand, op 14 Nisan. De nieuwe "dag" begon bij zonsondergang, 14 Nisan begon op de dertiende avond na het zichtbaar worden van de avondsikkel op het einde van de winter c.q. in het begin van de lente. De maan schijnt dan (bijna) de hele nacht, ze geeft veel licht en ziet er (bijna) vol uit. 14 Nisan kan op elke dag van de week vallen.
Uitspraken als: ´in 2013 was 14 Nisan al op 25 maart, in 2016 op 22 april´ geven aanleiding voor misverstanden. Op 25 maart 2013 bij zonsondergang en op 22 april 2016 bij zonsondergang begon de dag 14 Nisan.

Tijdens het Laatste Avondmaal (donderdagavond) steeg een (bijna) geheel ronde maan op aan de oostelijke hemel richting het zuiden. De maan gaf de hele nacht veel licht. Op het einde van de nacht stond ze laag en ging tijdens de ochtendschemering onder.
Op vrijdag 14 Nisan om 12 uur werden de lammeren naar de tempel gebracht om geofferd te worden.
Christus stierf om 15 uur en werd begraven voor zonsondergang, voor het begin van de sabbat. De begrafenis was ook op 14 Nisan. Voor de Joodse Christenen was 14 Nisan zowel de "dag van het Paschafeest" als ook "de dag van het avondmaal en van de kruisiging".
Bij zonsondergang, wanneer de eerste sterren zichtbaar werden, begon de sabbat die dat jaar op 15 Nisan viel. Het was een bijzondere sabbat, een "grote sabbat", want het feest Chag HaMatsot, het matzesfeest, begon. Dit "feest van de ongezuurde broden" begint jaarlijks op 15 Nisan en duurt een week. De Joden aten gewoonlijk brood dat met zuurdesem gegist was. Op de dag na het Paschafeest moest al het oude zuurdeeg uit de huizen verwijderd worden en werd er zeven dag reine, zuivere matzes gegeten.

De zevende dag is de sabbat van de HEERE, van uw God

"Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die." (Oude Testament, boek Exodus 20:11)
De sabbat is een gave van God (Ex. 16:29), ten behoeve van mens en dier. Zes dagen moet u uw werk doen, maar op de zevende dag moet u rusten, zodat uw rund en uw ezel kunnen rusten, en de zoon van uw slavin en de vreemdeling op adem kunnen komen. ( Ex 23:12)
Bron: christipedia.miraheze.org/wiki/Sabbat

Het Joodse volk had als eerste een zevendaagse week. Het scheppingsverhaal ligt ten grondslag aan de zevendaagse week. Hun eerste dag van de week begon op de zaterdagavond. De sabbat (Hebr. sjabbat; Gr. sabbaton; Lat. sabbatum) was de laatste dag van de week.
De sabbat is een rustdag, op deze dag zijn er geen begrafenissen. De sabbat begint op vrijdagavond na zonsondergang en eindigt op zaterdagavond na zonsondergang. De overige dagen hadden geen eigen naam, maar waren genummerd van een tot zes. (De namen zondag, maandag enz. hebben een Babylonische, Griekse en Egyptische oorsprong.)

"Het was de voorbereidingsdag en de Joden wilden niet dat de lijken op de sabbat aan het kruis zouden blijven, want deze sabbat was een grote feestdag." (Joh 19:30, vertaling H. Ogilvie 1983)

De dag volgend op het Paschafeest is de eerste dag van het feest van de Ongezuurde Broden (15 Nisan) . In dat jaar viel 15 Nisan op de laatste dag van de week, op een sabbat. Deze sabbat was 'groot', de eerste dag van het feest van de Ongezuurde Broden viel immers op de wekelijkse rustdag.

Vrijdag 3 april 33 bij zonsondergang, toen de dag 15 Nisan begon, kwam de gedeeltelijk verduisterde maan in tegengestelde richting op. In de uren dat de maan verduisterd is, bevindt ze zich (ongeveer) in oppositie met de zon en is ze een (bijna) 100% volle maan. Op het einde van 14 Nisan en in het begin van 15 Nisan was de maan een volle maan.

De eerste dag van de week:
de dag van de zon, "de dag van de Heer".

De Romeinse heersers gebruikten een andere kalender, een zonnejaarkalender. Julius Caesar had op 1 januari 45 v. Chr. zijn versie van de zonnejaarkalender in zijn gehele rijk ingevoerd. Het zonnejaar had een vast aantal maanden, 12 maanden. De maanden duurden langer (30 of 31 dagen) dan de maanmaanden en hadden een vast aantal dagen, met uitzondering van de maand februari. De Juliaanse kalender had ook weken van zeven dagen. Een variant van de Joodse weekindeling was erin opgenomen. In de zonnekalender begint de nieuwe dag niet bij zonsondergang of zonsopkomst, en ook niet als de zon zijn hoogste punt bereikt, maar in het midden van de nacht.

De zeven dagen van de Roemeinse week waren vernoemd naar de planeten. De eerste dag van de week kreeg de naam "dies solis", de dag van de zon. De volgorde van de planeten (zon, maan, Mars, Mercurius, Jupiter, Venus en Saturnus) had een Egyptische oorsprong.
De Christenen wilden die namen van "heidense planetengoden" niet gebruiken en noemden de eerste dag van de week "dies domenica", "de dag van de Heer".

Voor de Joodse Christenen was 16 Nisan de dag van de opstanding. Voor de niet-Joodse, "heidense Christenen" was de zondag na de eerste vollemaan in de lente de dag van de verrijzenis.

Christus is uit zijn graf opgestaan
op de derde dag,
op de eerste ochtend van de nieuwe week,
op zondag, op "dies domenicus", de dag van de heer,
bij zonsopkomst en bij een afnemende maan, die daalt en weldra ondergaat,
in de lente, de dag was langer dan de nacht,
van dag tot dag kwam de zon vroeger op en steeg hoger.

Share on FacebookShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

© Stichting Een Klaar Zicht 1995-2019

 

naar bovencontact  ·  home