menu

HET OMGAAN MET MODELLEN

Deze tekst is een hoofdstuk uit:

Liesbeth Bisterbosch: "Sterrenkunde voor klas 7 van de Vrije School"

een uitgave van het (toenmalige) VPC, tweede druk 1995.

De verschijnselen aan de hemel zijn oneindig gevariëerd; de hemel is op elk moment uniek, éénmalig. Er is voor elk mens in zijn leefwereld veel meer te ervaren dan wat sterren- en planetenkaarten en planetaria in hun algemeenheid tonen.

De wijze waarop deze maand bijv. de maan aan Jupiter voorbijgaat, zal nooit meer exact zo voorkomen, ook al is er elke vier weken een samenkomst. Hun aanblik in de avondgloed, aan de donkere hemel of tijdens het ochtendgloren zijn door het jaar heen steeds anders. Elk volgend jaar beschrijft Jupiter andere hemelbogen en volgt de maan een iets andere weg langs de sterren. De waarnemingswereld is oneindig veel rijker geschakeerd dan de voorstellingen die we ons erover hebben gevormd.

Op het gebied van de astronomie beschikt iedereen over veel meer geërfde reductionistische voorstellingen dan je zo vermoedt. Veel volwassenen denken liever in mechanische modellen dan dat ze zich inspannen om in de wereld van de lichtkwaliteiten ervaringen op te doen, zelf begrippen te vormen, samenhangen te ondekken en inzichten te verwerven. Een kwantitatief oorzaak-gevolg verband is relatief snel te overzien en gemakkelijk communiceerbaar; het is immers in zich voltooid, star. Terwijl bij het waarnemen elk mens zo zijn eigen ingang heeft; de ene ervaart in het begin andere aspecten dan de andere. En hoe laat je anderen deelachtig worden van wat je bijv. ervaren hebt aan Jupiter door het jaar heen? De eerste jaren is zo'n tijdsbeeld wel als een soort levensgevoel aanwezig, maar het is nog te nieuw, te weinig bewust om het te kunnen benoemen.

De geabstraheerde (!) sterren- en planetenwereld leent zich vanwege haar strenge wetmatigheden bij uitstek voor het maken van modellen. Er bestaan veel simpele middelen en gecompliceerde technieken om de bewegingen aan de hemel na te bootsen. Het draaiende apparaat of het computerscherm wekt de indruk dat de kosmos gelijk te stellen is aan een mechanisch instrument op grote schaal.

Modellen zijn van een geheel ander niveau dan de verschijnselen zelf. Hoe 'echter' het model er uit ziet, des te meer groeit de neiging dit te vereenzelvigen met de waarneembare wereld. Een volgende stap is dan snel gezet: "De sterrenhemel beweegt zoals de parapluie." De waarnemingswereld dient slechts als een mooi voorbeeld voor de ideeën erover.

In tegenstelling tot jongere kinderen kunnen de zevende klassers in de afzonderlijke sterren de groep 'Leeuw' of 'Tweelingen' zien. En ze kunnen zich een voorstelling vormen van de Dierenriembeelden die bijv. in de zomer aan de avondhemel staan. Het zelf leggen van verbanden kan door het hanteren van modellen geoefend worden, zonder dat de leerlingen de stap maken tot een primitief oorzaak-gevolg denken.

Zevende klassers kunnen zich wel wat voorstellen bij een voetbal, een tennisbal en een zaklamp om de jaargetijden 'uit te leggen'. De winterse koude bij het 's ochtends fietsen over de dijk naar school 'verklaren' uit de stand van de aarde is voor hen ook navolgbaar. Maar als hen niet de intellectuele voorstellingen en vragen van de volwassenen opgedrongen worden, wat dient hen zo'n mechanische benadering?

De ontwikkeling van de astronomie was in de Babylonische en Griekse tijd nauw vervlochten met de ontwikkeling van de algebra en de meetkunde. Wanneer de zevende klassers in hun leeftijdsfase met mathematische instrumenten en bewegingswetmatigheden aan het werk gaan, kunnen ze overeenkomstige stappen verrichten als de priesters-astronomen in vroegere tijden. Aan het ordenen van de waarnemingen aan de hemellichten kan het verstandelijke denken zich op exacte wijze ontplooien. Het innerlijke vermogen samenhangen te doorzien groeit.

Het is voor de periode aan de 12-jarigen extra van belang dat je als leerkracht je afvraagt:

‧ Welke modellen zijn zinvol?

Een draaibare sterrenkaart is bijv. een praktisch hulpmiddel voor vragen als: "We kunnen Orion nergens vinden. Komt hij vannacht nog op?".

‧ In welke leerfase introduceer je het model?

Het maken van bijv. de draaibare Dierenriemkaart vindt plaats na het zelf waarnemen van de sterrenbeelden aan de hemel, het doorleven van de eerste indrukken, het ordenen van de waarnemingen (de volgorde van opkomst en ondergang) én het zelf lopen van de bewegingen van de Dierenriem.

‧ Welke modellen brengen in sterke mate met zich mee dat ze het waarnemen blokkeren?

Na een bezoek aan het planetarium waar de leerlingen Mercurius de wildste bewegingen hebben zien maken, wordt het moeilijk om de wijze waarop Mercurius in de lente in de tere avondschemeringskleuren verschijnt te bespreken.

Een parapluie om aan te geven dat het op de Noordpool heel anders toegaat dan op de Evenaar blijkt het waarnemen van de eigen hemel niet te belemmeren.

Sommige kinderen voelen zich door het weten van bijv. de stilstaande zon en de bewegende aarde te knap om zich nog bezig te houden met de zonnebogen door het jaar heen. (Hoewel ze het schouwspel van een zonsopkomst wel intensief kunnen bewonderen.)

Planetaria en ook televisieprogramma's over astrofysische onderwerpen stimuleren het napraten van zogenaamde feiten, die voor leerlingen en leken niet op hun waarheidsgehalte te beoordelen zijn. Voor het beoordelen van nieuwe ontdekkingen en theorieën op astrofysisch gebied is een gedegen kennis nodig van de gehanteerde hypotheses en werkmethodes.

'Fantastisch interessante onderwerpen' als de afstand van de sterren tot de aarde, de temperatuur en de leeftijd van de zon, het millennium dat de zon 'uitgebrand' zal zijn, zwarte gaten, oerknal e.d. plaats je mede om deze redenen niet op het leerplan. Maar als je als leerkracht met de wijsneuzen interessant meepraat over aktueel nieuws, probeer dan bewust te zijn waar het gesprek over zogenaamde wetenschappelijke onderwerpen sluipend overgaat in het fantaseren, het vertellen van halve waarheden en van hele leugens.

Sommige kinderen vertellen elkaar dat de hele wereld uit de oerknal is ontstaan. Deze materialistische visie blijkt hen te fascineren. De vraag hoe uit een knal iets kan ontstaan wat harmonieus is, wat leeft enz. plaats het geheel in een groter kader.

Enige populair-wetenschappelijke kennis heb je als leraar nodig om met vragen goed om te kunnen gaan. In de klas wordt echter aan andere onderwerpen van dag tot dag, van week tot week gewerkt.

De Arabische astrologische indeling van de Dierenriemtekens in aarde-tekens, water-tekens enz. is een van de vele dierenriemmodellen. Voor volwassenen kan de geschiedkundige oorsprong interessant zijn (zie deel II). In veel astrologie-theorieën wordt met zo'n model gewerkt. Deze voorstelling is zo totaal anders als wat je zelf aan hemel ervaart en blokkeert bij veel astrologen het vertrouwd raken met de hemel.

Wanneer je het waarnemen activeert, kan in je uit de doorleefde ervaringen een nieuw leven ontstaan. Het vermogen tot het waarnemen en het doorzien van samenhangen groeit. De beelden in je ziel maken je ontvankelijk voor het beleven van het tijdsgebeuren.

Voor het verkennen van de sterrenhemel heb je minstens één grote rondgang, een zonnejaar, nodig. In de volgende jaren kun je steeds méér aan 'diezelfde sterrenhemel' ervaren.

Je begint de beeldentaal aan de hemel te lezen. Je kijkt naar het gebeuren aan de hemel en herkent je eigen innerlijke vermogens. Samenhangen tussen de geworden wereld buiten je en het eigen scheppende wezen worden zodoende een werkelijkheid voor je. Dit klinkt door in de wijze waarop je de periode verzorgt.

Home · contact · Stichting Een Klaar Zicht © 1995 - 2020