Home

E. Vreede: "Over het paasfeest"

Oorspronkelijk: “Über das Osterfest”, in: “Kalender Ostern 1943 - Ostern 1944”, 15e jaargang, Arlesheim 1943.[1] Werkvertaling door Paul Heldens.

Bron: ev ostern 1943 1944 pdf De tekst als een een word-bestand: e vreede ostern 1943 m 19 4 2019 docx

[1] Deze kalender is de laatste geweest die Elisabeth Vreede uitgaf. Zij stierf, 64 jaar oud, op 31 augustus 1943 in het Zwitserse Ascona.

De vertaling als bestand:

vreede 1943 nl over het paasfeest werkvertaling met bijlage p

Correctie een na laatste alinea (paasnieuwemaan) alwel gedaan in:

vreede1943paasfeestdocx.pdf

vreede1943paasfeestdocx.docx

De tussen rechthoekige haken geplaatste voetnoten zijn ter informatie door de vertaler toegevoegd.
De niet tussen haken geplaatste, vet gedrukte voetnoten stammen van Elisabeth Vreede zelf.
De oorspronkelijke pagina's van het Duitse artikel zijn in rechthoekige haken weergegeven: [pag. n-n].

De late paasdatum van dit jaar [1943], de 25e april, heeft al vaak de aandacht getrokken, en over de reden van deze late datum is van alles in de dagbladen verschenen. Pasen valt immers op de laatst mogelijke datum, wat pas over bijna 100 jaar opnieuw zal gebeuren (2038). De vroegst mogelijke datum is 22 maart, die het laatst in 1818 voorkwam (en toen eigenlijk astronomisch niet klopte) en eeuwen lang niet meer zal voorkomen. In het jaar 1913 viel Pasen op 23 maart, in 1940 op 24 maart.

Deze data zouden ons niet erg interesseren, wanneer deze zogezegd slechts uiterlijk statistisch materiaal zouden voorstellen. Maar wij weten dat Pasen behoort te vallen op de zondag die volgt op de eerste volle maan na de lente-dag-en-nacht-evening. De regel, waarnaar deze datum berekend wordt, heeft een eerbiedwaardige ouderdom bereikt en heeft zich ondanks alle stormen die zich daartegen verhieven, door de eeuwen heen gehandhaafd. Zelf kwam zij tot stand als de afsluiting van een lange strijd over de vraag, wanneer de gedenkdagen van dood en opstanding van Christus gevierd zouden moeten worden.

Vooral in die omgeving, waarin het jonge christendom zijn eerste belijders had, had men zich aan het Paschafeest gehouden, dat door de Joden op de eerste vollemaansdag in het voorjaar werd gevierd en waarop de dood op Golgotha had plaatsgevonden. Doordoor was het feest van begin af aan iets beweeglijks, noch aan een bepaalde datum, noch aan een bepaalde dag in de week gebonden, omdat vollemaan immers op verschillende momenten kan optreden. Toen het christendom zich in Rome en andere westerse landen ‘onder de heidenen' verbreidde, kwam het gebruik op, in het bijzonder de opstanding te gedenken en deze steeds op een zondag te vieren, volgend op de volle maan na het begin van de lente.

We weten uit de laatste paascyclus van R. Steiner, dat deze dingen “een stuk mysteriegeschiedenis der mensheid” vertegenwoordigen. [2] In de eerste eeuwen ontvingen de christenen van verschillende kanten aanwijzingen uit de mysteriën, die men, juist als heidense mysteriën destijds in verbinding wist met het Christuswezen, toen de Christus nog niet naar de aarde was afgedaald, toen hij slechts gevonden kon worden door de inwijding in het kosmische gebied van de zon. Men wist van de Voor-Aziatische mysteriën, in welke in meer uiterlijke vorm, als Adonisfeest, de dood en de opstanding na 3 dagen in de gedaante van een schone jongeling werd getoond. Dat waren herfstfeesten, die [pag. 1-2] de geboorte van de geest uit de ondergang van het stoffelijke, van het natuurlijke voorstelden. Hier werd als het ware de inhoud van het mysterie van Golgotha, vóór dat dit had plaatsgevonden, afgebeeld, echter in samenhang met de wegstervende natuur en in dit opzicht in tegenspraak met de gebeurtenis in Palestina, die zich in het voorjaar had afgespeeld. – Men wist ook van andere mysteriën, waarin mensen in voorchristelijke tijden door inwijding tot Christusdrager, tot “christofoor” opklommen, doordat men de Christus en zijn geestelijke werking in de zon leerde kennen. Deels waren zulke mysteriën aan de lente gebonden; andere, die R. Steiner de eigenlijke innerlijke paasbeleving noemt, werden gedurende het gehele jaar voltrokken. Deze leverden, eigenlijk door een onjuiste opvatting van hun wezen, de grondslag voor de vaststelling van het paasfeest in de tijd, zoals wij dit tegenwoordig nog vieren.

[2] Zie de vier paasvoordrachten gehouden van 19 t/m 22 april 1924 in Dornach, in Rudolf Steiner: “De opstanding van de geest. De rozenkruisers – Pasen als mysteriegebeuren”, (GA233a ), Amsterdam 2008, Pentagon.

Dat was de meer westerse wijze [om het paasfeest te vieren]. In de Oriënt: Klein-Azië, Palestina, hield men vast aan het feest met vollemaan om de kruisdood te herdenken. Het is veelzeggend, hoe men daarvoor op verschillende wijze steunde op de ooggetuigen van het Christusleven. In Efeze had tot in de 2e eeuw Johannes de evangelist geleefd, en de oosterse christenen beriepen zich erop, dat hij het laatste avondmaal en de kruisdood steeds tegelijk met het joodse Pascha gevierd zou hebben. De westerse christenen noemden Petrus en Marcus als de stichters van hun manier om Pasen te vieren, [een manier] die zich, zoals gezegd, baseerde op de zondag als de dag van de opstanding. Men krijgt zo inzicht in diepe belevingsverschillen in de kringen van die mensen, welke zich om de Christus-Jezus verzameld hadden: aan de ene kant de leerling “die de heer liefhad”, die bij het laatste avondmaal aan zijn borst lag, die ons het hogepriesterlijk gebed heeft nagelaten en die als enige van de apostelen onder het kruis stond, – en aan de andere kant de twaalf, die na de schrik en de verwarring over de openbaring van Christus tijdens het avondmaal: ‘een van jullie zal mij verraden', en na het tekort schieten in Gethsémane en bij de kruisiging, pas op de derde dag hun verhouding tot de uit de dood herrezen leermeester terugvonden.

Daarover ontstond in de 2e eeuw een conflict. Beide groepen hielden vast aan hun eigen manier van Pasen vieren, maar in het Avondland, vooral in Rome, wilde men de paaszede van het Morgenland niet erkennen. Men verwierp het verband met het Paschafeest, waarvan de datum elk jaar door de Joodse religieuze autoriteiten moest worden vastgesteld (waarbij men niet strikt astronomisch, maar meer meteorologisch te werk ging); daarbij kwam nog dat de Joden in de 2e eeuw reeds overal verspreid waren en “Christus de wet van Mozes voor ons opgeheven heeft”.[3] Brieven en vermaningen gingen heen en weer. Polycarpus, bisschop van Smyrna, een leerling van Johannes, die met velen contact gehad had die Christus Jezus nog hadden meegemaakt, reist naar Rome om voor het Aziatische gebruik op te komen, maar vindt daar geen gehoor. Later is het Polycrates van Efeze, die zich eveneens op de apostel Johannes en op Philippus en wederom op “hoog vereerde mannen als Polycarpus” beroept. Als dan tegen de eeuwwisseling de Aziatische gemeenten op grond van hun paasviering voor ketters worden verklaard, verheft de kerkvader Ireneüs zich uit protest, omdat hij niet kan [pag. 2-3] dulden, dat zijn leraar Polycarpus verdoemd wordt.[4]

[3] Christus die de wet van Mozes voor ons heeft opgeheven' is vermoedelijk een verwijzing naar het evangelie volgens Johannes, 1: 17: “Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus geworden”. En naar het evangelie volgens Mattheüs, 7: 17-48, waarin Jezus de wet van Mozes omvormt.
[4] S. Hilgenfeld, “Der Paschastreit der alten Kirchen”, 1860.

Algemeen wordt aangenomen dat het concilie van Nicea in 325 aan deze strijd een einde maakte, door de paasviering van het Avondland tot regel te verheffen. De oosterse wijze om Pasen te vieren was toen echter allang verboden; onenigheid heerste toen alleen nog tussen de Roomse en de Alexandrijnse gemeenten over de berekening van de paasdatum, en het concilie sprak op dit punt alleen maar het verlangen uit naar eensgezindheid onder alle christenen. Rome liet de precieze vaststelling vervolgens aan de Alexandrijnen over vanwege hun meer gedegen astronomische kennis. Het ging in wezen om de vraag, welke van de bekende maancycli voor de vooruitberekening van de voorjaarsvollemaan in aanmerking zouden moeten komen, en Rome gaf uiteindelijk zijn tot dan toe toegepaste cyclus op ten gunste van de Alexandrijnse, die ook de meer nauwkeurige was.

Wanneer men de geschiedenis van de eerste vastlegging van de paasregel beschouwd, dan is het resultaat enerzijds wat R. Steiner in de voornoemde voordrachtencyclus[5] noemde: een radicaal misverstand, dat op iets ongehoords in de mensheidsontwikkeling wijst – doordat men oude mysterieregels door elkaar gegooid, verkeerd begrepen en min of meer misbruikt heeft, –maar anderzijds toch ook weer op iets buitengewoon spiritueels wijst, ja iets wat met de kosmos overeenstemt, zodat in de voordrachtencyclus “Christus en de geestelijke wereld” daarover gezegd werd: “.. volgens een oude overlevering, een van die overleveringen die behoren tot de in de diepten van de ziel voortwerkende Christusimpuls, daartoe behoort de vaststelling van het paasfeest”.[6]

[5] Zie noot 2.
[6] In de voordracht van 2 januari 1914, in Rudolf Steiner, “Christus en de spirituele wereld. Het mysterie van Golgotha en het geheim van de graal”, Amsterdam 2006, Pentagon.

Het is dit met de kosmos rekening houdende, in betrekking tot een zich op de aarde afspelend feit, wat als het betekenisvolle van de [paas]regel moet worden beschouwd. Het ritmische in de verhouding van de sterrenwereld tot de aarde speelt hier op een grandioze wijze doorheen. “Want wevend werkt de Christus-wil in de omtrek, in de wereldritmen zielen begenadigend”, is de uitdrukking, die R. Steiner bij de kerstbijeenkomst van 1923 in het algemeen voor deze feiten heeft gevormd.[7] Christus is een komisch wezen, de hoogste zonnegeest, wiens licht door de god Jahwe als maanlicht naar de aarde wordt gespiegeld, wiens werkzaamheid op aarde door het Joodse volk moest worden voorbereid. Wat zich sinds de doop in de Jordaan in Palestina afspeelde, was niet slechts aards, [maar] was kosmisch gebeuren.

[7] Zie Willem Zeylmans van Emmichoven, “De Grondsteen”, Amsterdam 1989, Pentagon.

Desondanks was met de bepaling van het paasfeest op basis van het concilie van Nicea de vrede nog niet helemaal bereikt. De reden was een echt aardse, hoewel van astronomische aard. Want bij de uitwerking van de paasregel komen verschillende vragen op, die juist met het ritmische van de sterrenwereld te maken hebben. Wanneer is het equinox (dag-en-nacht-evening)? Hoe valt te berekenen of vast te leggen, wanneer vollemaan optreedt? Deze vragen zijn niet zo eenvoudig te beantwoorden als het onze huidige tijd toeschijnt, waarin dit alles allang volledig [pag. 3-4] gecanoniseerd is. Ook na de overeenkomst van de Romeinen en Alexandrijnen bestonden hierover meningsverschillen, die in bepaalde omstandigheden tot een paasfeest op verschillende dagen in hetzelfde jaar leidde. De Alexandrijnse astronomen hadden aangegeven, dat het optreden van vollemaan volgens de zogenaamde metonische regel moest worden bepaald. De Griek Meton had in de 4e eeuw voor Chr. een mooie vergelijkingsformule ontdekt voor de omlooptijd van zon en maan. (In de christelijke kerk gold deze echter als een hemelse openbaring aan Pachomius, de Egyptenaar.) Na 19 jaar, zo zegt de regel, zullen de maanfasen nieuwe maan, volle maan, enz., weer op dezelfde datum vallen als voorheen. Zulke regels kunnen steeds niet meer dan benaderingen zijn; nooit gaan de kosmische ritmen precies in elkaar op; ze zijn, zoals het heet, incommensurabel. Zij zijn het tegendeel van alle mechanische installaties, die te maken móéten hebben met onderling vergelijkbare, meetbare getallen. Aldus leveren de cyclische regels zoals die van Meton, soms resultaten op, die niet met de astronomische werkelijkheid overeenstemmen. Deze kunnen een volle maan aangeven, die een dag vroeger valt dan de in werkelijkheid optredende vollemaan of dan een uit een andere maancyclus berekende vollemaan. Ook het optreden van de dag-en-nacht-evening was destijds niet met voldoende nauwkeurigheid bekend, het was dus niet altijd zeker, of een bepaalde vollemaan al de paasvollemaan was of niet. Een soort overeenstemming op dit gebied kwam pas in de 6e eeuw tot stand (door Dionysius Exiguus, aan wie wij ook de invoering van de christelijke tijdrekening te danken hebben). Betekenisvol en tragisch tegelijk bleef het verschil met de Ierse monniken en bisschoppen, die één punt van de niceanische regel voor henzelf niet konden accepteren. Deze luidt, dat als in een jaar de voorjaarsvollemaan op een zondag valt, Pasen pas gevierd wordt op de volgende zondag. (Deze bepaling is vaak zo opgevat, alsof men daarmee wilde voorkomen dat Pasen ooit met het Joodse Paschafeest zou samenvallen, maar dit heeft mogelijk andere redenen. Enerzijds de onzekerheid over de werkelijke dag van de volle maan – men wilde immers de opstanding niet vieren, voordat het vollemaan was geweest, want de dood aan het kruis twee dagen tevoren was immers bij vollemaan –, anderzijds heeft juist de afnemende maan een diepe geestelijke betekenis waarop wij nog zullen terugkomen.) In zo'n geval [waarin Pasen op de volgende zondag valt] is de maan reeds in het laatste kwartier, “halve maan”, en komt pas meerdere uren na zonsondergang op. De Ierse monniken, die geheel met de spiritualiteit in de uiterlijke natuur verbonden waren, leek deze tussenfase van nachtelijk duister [na zonsondergang en] vóór de opkomst van de maan, in tegenspraak tot de Christusdaad, waarbij de aarde zelf haar geestelijke lichtkracht, haar innerlijke zon ontvangen had. Pas in de 8e eeuw gaven zij de strijd op en schikten zich in de roomse regel.

Hier mag het merkwaardige feit genoemd worden, dat blijkbaar nooit het streven heeft bestaan, de onmiddellijke datum van de paasgebeurtenissen vast te stellen, ook niet in die tijd, waarin nog de mondelinge overlevering die van de ooggetuigen stamde, in de christenheid nog heel levendig was. Van begin af aan werd de dood en de [pag. 4-5] opstanding van Christus ritmisch, dit is in de grond van de zaak: kosmisch opgevat. Alleen de geboorte van Jezus van Nazareth en de doop in de Jordaan werden op bepaalde dagen vastgelegd. Over de vraag, of niet ook het paasfeest op een bepaalde datum moest worden vastgelegd, was weliswaar al vroeg onderhandeld, maar niet met het oog op de, blijkbaar onbekende, werkelijke historische datum.

Het is interessant de redenen te vernemen, die de grote kerkvader Augustinus in het jaar 400 voor de beweeglijkheid van het paasfeest aangevoerd had, toen hij door keizer Januarius in deze zaak om een mening werd gevraagd.[8] Tegenover het kerstfeest als louter herinneringsfeest, stelde hij het paasfeest, dat door het mysterie dat erin besloten ligt, een sacramenteel, symbolisch karakter heeft. Dat het om de eerste maand van het jaar handelt (dat met de lente begon), om de derde week daarvan (de week na vollemaan) en om de zevende dag, de zondag, dat behoort tot de getallensymboliek. Wat echter de in de paasregel besloten natuurlijke feiten betreft, zo is de lente-dag-en-nacht-evening, waarbij de zon in Ram staat, in het teken van het Lam, een beeld voor de vernieuwing van het christelijk leven, terwijl de afnemende maan als zinnebeeld de innerlijke wedergeboorte van de mens weerspiegelt. Want de toenemende maan verwijdert zich steeds meer van de zon, neemt toe aan uiterlijke verschijning en lichtkracht, terwijl de afnemende maan de zon nadert en bescheiden haar licht steeds meer verduistert. Zo ook de menselijke ziel, wanneer zij zich van de zon der gerechtigheid afwendt, al haar krachten het uiterlijke toewendend, in haar hogere wezen verduisterd wordt; maar weer tot haar terugkerend, haar meer en meer met gevoelens van liefde naderend, verbleekt de uiterlijke mens meer en meer, terwijl de innerlijke mens, aan het aardse ontstegen, van dag tot dag meer verlicht wordt en zijn leven met Christus in God geborgen heeft.

[8] S. Piper, “Geschichte des Osterfestes”, 1845.

Op grond van deze symbolische uitleg met zijn volstrekt spirituele inslag, werd tot voor enkele jaren in de katholieke kerk zo streng aan het principe van de beweeglijke paasdatum vastgehouden. (Zie in de kalender van Pasen 1931/'32 het artikel van mevrouw L. Kolisko: “Gedanken zu bevorstehenden Kalenderreformen” [Gedachten over de komende kalenderhervorming]). Zoals bekend zijn er in de laatste decennia talrijke redenen voor het vastleggen van de paasdag op een vaste datum naar voren gebracht, allen geheel van materiële aard, deels uit gemak, grotendeels uit commerciële belangen voortkomend.[9] Als eerste man van de kerk, die voor een vastlegging van de paasdatum was, moet Luther genoemd worden. In zijn populaire geschrift “Von den Conziliis und Kirchen” [Over concilies en kerken] (1539) noemt hij de oude paasregel “een houtblok dat sinds de houten-Klaas-artikelen van het concilie tot op heden is blijven smeulen”. Het paasfeest noemt hij “schommelfeest”; het schommelen komt daardoor, dat de kerkvaders vergeten zijn het vast te leggen. Zij wilden enerzijds de paasdag rond het door Mozes gestichte moment[10] hebben, anderzijds lieten ze dit los en namen de zondag na de volle maan in maart. Dat betekent echter, een oude jas met een nieuwe lap herstellen, waardoor de scheur groter wordt. “Daarom heeft het eeuwige geruzie en het eeuwige [pag. 5-6] schommelen tot heden zo veel ophef teweeggebracht en zal het blijven doen tot aan het einde van de wereld”. Men had er beter aan gedaan de dag van het lijden, van de grafligging en van de opstanding volgens de loop van de zon te berekenen en in de kalender op een bepaalde dag vast te zetten, zoals het met de christelijke feesten, nieuwjaar, etc., is gebeurd. “Maar dat is allang en van begin af aan verzuimd”. Hij vindt dat voortaan niemand meer de kalender zou moeten corrigeren dan de hoge majesteiten, keizers en koningen; eensgezind en tegelijkertijd zouden deze daartoe een gebod in de hele wereld moeten uitvaardigen, op welk moment men voortaan de paasdag te houden heeft. Indien anders het ene land zonder het andere begint .., zouden de mensen uit dat land op het verkeerde moment een markt in een ander land bezoeken, – en zou in alle zaken wilde ontreddering en verwarring heersen.”

[9] Te midden van meerdere voorstellen voor een kalenderhervorming, viel met name de z.g. “wereldkalender” op, een volledig rationeel-utilitair ingerichte kalender, die alle religieuze en spirituele inzichten en tradities afwijst. De wereldkalender werd in de 20e eeuw bekend door de krachtige lobby van de Amerikaanse Elisabeth Achelis (1880-1973). Deze miljonaire beschouwde zichzelf als een door God gezondene en zette haar kapitaal in om deze wereldkalender te realiseren, eerst via de Volkerenbond, later via de Verenigde Naties. Daartoe richtte zij in 1930 de nog altijd bestaande World Calender Association op, die zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog grote invloed heeft uitgeoefend. De belangrijkste kenmerken van deze wereldkalender zijn: het doorbreken van het doorlopende weekritme en het vastzetten van cruciale data op een vaste dag in de week, inclusief de paasdatum. Alle kwartalen zijn precies even lang, de maanden duren 30 of 31 dagen, ook februari. 31 Augustus vervalt, 31 juni wordt als schrikkeldag ingezet. 1 Januari begint altijd op een zondag; 31 december is een blanco dag die buiten het 7-daagse weekritme staat en die als “werelddag” wordt gevierd.
Zie pag. 32 e.v. in Wilhelm Hoerner, “Der Kamp um das Bewegliche Osterfest. Dokumente einer dramatischen Auseinandersetzung”, Stuttgart 1998, Urachhaus.
[10] Namelijk het Paschafeest.

Merkwaardig genoeg is het juist de lutherse reformatie geweest, die gedurende twee eeuwen tot een vreselijke strijd om het paasfeest heeft geleid, die veel bredere kringen aangreep dan de Paschastrijd binnen de oude kerk had gedaan.

Sinds het concilie van Nicea, dat ook de juliaanse tijdrekening definitief had ingevoerd, was de kalender in de loop der eeuwen steeds meer uit zijn voegen geraakt eenvoudig omdat de tijdrekening op de lange duur niet meer met de astronomische feiten, voor zover deze in de eerste christelijke eeuwen bekend en berekend waren, kán overeenstemmen. In de tijd van Luther was een kalenderhervorming allang noodzakelijk.

Bij die kerkelijke concilies, welke als de meest geschikte gelegenheid moesten worden beschouwd, had reeds menige geleerde van betekenis een hervormingsplan naar voren gebracht, zoals bijvoorbeeld Cusanus op het concilie van Bazel (1431-1443). Toen de hervorming dan tenslotte in 1582 werd voltrokken, gebeurde dat door paus Gregorius XIII, dus niet door die “majesteiten, keizers en koningen”, van wie enkele in de tijdspanne tussen Luther en Gregorius tot het protestantisme waren overgegaan en die de opdracht voor een ingrijpende kalenderhervorming van de kant van de paus simpelweg niet wensten op te volgen. In één keer zouden er niet minder dan 10 dagen uit het kalenderjaar geschrapt moeten worden. In de katholieke landen werd dit al in 1582 of kort daarna doorgevoerd, in de protestantse landen echter pas in 1700, toen zich het ongemak van twee tijdrekeningen door een hele eeuw heen voortgesleept had. Wat de berekening van de paasdatum betreft, brandde desondanks de strijd toen pas echt los.

De feestberekening moest, volgens de mening van de protestantse partij, noch volgens de juliaanse, noch minder volgens de gregoriaanse cyclus, maar “volgens de accurate astronomische calculus” ingericht worden. Deze gedachte was in een tijd van opbloeiende nieuwe natuurwetenschapen geenszins vergezocht. Ook de jezuïet Clavius, die in opdracht van de paus de nieuwe kalenderhervorming moest voorbereiden en verdedigen, nadat haar schepper, de astronoom Lilius al voor de invoering daarvan was gestorven, neigde aanvankelijk tot deze opvatting. Zelfs het concilie van Nicea had de vraag al onderzocht en overwogen, om de paasdatum elk jaar opnieuw vast te stellen en door de paus te laten verkondigen, had daar echter ten gunste van de cyclische berekening van afgezien. Ook de door Gregorius XIII ingestelde kalendercommissie hield aan de cyclische berekening vast, die door [pag. 6-7] Lilius juist van nieuwe elementen was voorzien, waarmee ook tegenwoordig nog gerekend wordt. Clavius heeft deze dan tegen alle bezwaren in krachtig verdedigd[11] en in de grond van de zaak alle latere bezwaren van de protestanten reeds in 1582 de wind uit de zeilen genomen.

[11] S. van Wyk, “De gregoriaanse kalender”, 1932.

Hij gaf toe, dat met het oog op het op 21 maart gefixeerde equinoctium, Pasen soms op een verkeerde datum zou kunnen vallen, hetzij een week te vroeg, hetzij een maand te laat. Maar, zegt hij, dat is desondanks geen vergissing, wanneer de cyclus dat vereist, en er zijn tot nu toe toe ook geen astronomische tabellen opgesteld, waaruit de ware beweging van de hemellichamen voor altijd foutloos gevonden zou kunnen worden. “Vooral omdat zij op onzekere, ja smakeloze en de algemene opinie tegensprekende hypothesen zijn gebaseerd. Wie zou dan toch nog zo onbeschaamd en vermetel zijn, om de kerk aan zulke onzekere voorschriften en tabellen te binden?” (Hier spreekt de afkeer van het copernicaanse systeem, 1603, nadat Giordano Bruno [1548-1600] reeds de brandstapel had bestegen.) Het is het vasthouden aan het algemeen ritmische van de hemelbewegingen, zich niet bekommerend om die afwijkingen, die door de incommensurabiliteit van de ritmen noodzakelijkerwijs moeten optreden of die resulteren uit de verfijnde astronomische waarnemingen.

De protestanten daarentegen wilden aan deze fysische bewegingen vasthouden, aan datgene, wat uit de zogeheten storingen en afwijkingen van de maan van de gemiddelde ritmische bewegingen volgt. Zij wilden het tijdstip van de lente-dag-en-nacht-evening en van de ware paasvollemaan in dagen, uren en minuten berekend zien en wel volgens de meridiaan van Uranienborg, de sterrenwacht van Tycho Brahe [1546-1601] op het Deense eiland Hveen, die echter in de 18e eeuw allang een ruïne was. Wat gaat de voormalige sterrenwacht van Tycho Brahe de christenheid aan, zegt de wiskundige Johann Bernouilli, als hij door de gemeenteraad van Bazel om deskundig advies gevraagd wordt. Daarmee zou de eenheid in de viering van het paasfeest wederom doorbroken worden, want ook afgezien van de orthodoxe kerk, (die immers de gregoriaanse hervorming tot in de 20e eeuw niet heeft overgenomen,) zouden alle christenen die oostelijk van deze meridiaan leven, al een dag vroeger zondag vieren dan de westelijk daarvan wonende christenen. Zij wilden de tabellen van Kepler [1571-1630] als de allernieuwsten invoeren; – Kepler zelf, de protestant, tegelijk keizerlijk hof-mathematicus, was vóór de gregoriaanse hervorming geweest om de volgende fraaie reden: Pasen is een feest, geen ster.[12] Kortom, zij wilden de astronomische nauwkeurigheid op de spits drijven, en moesten beleven, dat deze spits dan simpelweg afbreekt. Bijna zou men hier het woord van Christus aanhalen: ‘Mijn rijk is niet van deze wereld..'.[13]

[12] “Gespräch von der Reformation des alten Kalenders”.
[13] “Mijn rijk is niet van deze wereld”: zie het evangelie van Johannes, 18: 36.

Nadat men het in 1699 eens geworden was over de tijdrekening, draaide de hele strijd om de paasberekening slechts om één enkel punt, dat bovendien nog een uitzondering betrof. In grote lijnen wilden de protestanten, met name in Duitsland en Zwitserland, zich voor de berekening zeker aan het concilie van Nicea [pag. 7-8] houden. Ook de verschuiving van 8 dagen, indien de voorjaarsvollemaan op een zondag valt, namen ze als regel aan. Maar juist daar lag de struikelsteen, want als de streng astronomisch berekende, werkelijke vollemaan, een keer een dag later valt dan de cyclische berekende vollemaan en bovendien op een zondag, dan zou Pasen volgens de ‘protestantse' opvatting een week later gevierd moeten worden dan de ‘katholieke'. Een vergelijkbaar geval kan zich ook voordoen, als de astronomische vollemaan vroeger valt dan de cyclische en de laatste ook nog op een zondag. Zulke voorvallen deden zich in de 18e eeuw meermaals voor (natuurlijk ook in de 19e en 20e eeuw, maar toen was de paasstrijd al bijgelegd.) De twee verschillende paasvieringen riepen in landen waar een confessioneel gemengde bevolking leefde, een sterk verzet op, met name bij de katholieken. De kwestie leidde op politiek gebied tot merkwaardige onmogelijkheden doordat vakanties van de Rijksdag en van rechterlijke instanties e.d. zich op Pasen oriënteerden. Welke Pasen moest men laten gelden? Hoe moesten protestantse rechters zich in een overwegend katholiek land gedragen en omgekeerd? Zo belandde de strijd uiteindelijk weer daar, waar Luther hem van begin af aan had gewenst: bij de keizers en koningen – om over de kleine regionale heersers nog maar te zwijgen.

Vanuit het heden gezien, neemt de kwestie een bijna tragikomische wending, doordat steeds grotere en gewichtigere kringen in de zaak verwikkeld raakten.[14] Van een eenvoudige aanvraag van een sterrenkundige bij de magistraat van zijn stad, wat hij met Pasen moest aanvangen omdat de kalenders voor het volgende jaar (1724) gedrukt moesten worden, gaat het via de districtsmagistraat hogerop “ter beoordeling aan het Corpus Evangelicorum”; er komt bij de koning van Pruisen een memorandum binnen van de Sociëteit der Wetenschappen in Berlijn; de Chur-Brandenburgse delegatie wordt verzocht de kwestie aan de orde te stellen (d.w.z. in een overwegend katholiek land) en “na inwinning van het advies van ter zake kundige mathematici tot een besluit te komen”. Het leidt tot een heftige uitwisseling van moties in de Rijksdag; de katholieke afgevaardigden overhandigen een protestmotie als het besluit van het Corpus Evangelicorum bij de staatsakten wordt gevoegd, enz. De evangelische rechters wenden zich tot de keizer, er volgen “scherpe keizerlijke rescripten”, enz., enz.

[14] S. Piper 1845, S. 27 e.v.

Het eind van de hele strijd was een terugtrekking van de protestanten over de gehele linie. Zij gaven het laatste nog overgebleven kalenderverschil prijs, hoofdzakelijk omdat “deze voor handel en verkeer lastig was”, in werkelijkheid toch ook wel vanwege de uiterst heftige en onbuigzame oppositie van de katholieken op dit punt. In het jaar 1775, nadat met vergelijkbare aanleiding nog twee maal een opleving van het conflict dreigde, sloten zij zich, ondersteund door Frederik de Grote, bij de katholieke feestregel aan, d.w.z. zij zagen af van de meer nauwkeurige astronomische berekening van de vollemaandag en het equinoctium en accepteerden die van de gregoriaanse kalender. Zij kwamen met de katholieke standen tot overeenstemming aangaande een verbeterde rijkskalender, waarbij de nadruk op het [pag. 8-9] rijk valt, want hij was in de grond van de zaak identiek met de gregoriaanse kalender. Keizer Jozef II ratificeerde op 7 juni 1776 dit besluit; zo was de kwestie zogezegd van helemaal onderop tot bij de hoogste majesteit beland.

En zo is het tot op de dag van vandaag gebleven. Ook de officiële astronomische efemeriden (de jaarboeken van de grote sterrenwachten), geven Pasen alleen volgens de oude regels aan, met behulp van “epacten, gouden getal, zondagsletter”, zich niet bekommerd om het feit, of de ware vollemaan vroeger of later valt. De beroemde, protestantse wiskundige Gauss [1771-1855] heeft zelfs de paasregel in een simpele wiskundige formule gegoten, die het mogelijk maakt om op eenvoudige wijze Pasen voor elk jaar vooruit te berekenen. Een karwei, dat Clavius overigens al in de 16e eeuw geklaard had, toen hij de paastijd tot het jaar 5000 toe, voor zover bekend feilloos had aangegeven!

Gezien deze lijdensgeschiedenis kan zeker niet de wens ontstaan, Pasen op een andere dan de algemeen aanvaarde datum te vieren. Des te minder, omdat de afschaffing van de oude paasregel en de vastlegging op een bepaalde datum, voornamelijk om materiële redenen, nog pas 10 jaar geleden kort voor zijn verwerkelijking stond. Sinds eeuwen bestond er toen weer een gemeenschappelijke autoriteit die in staat zou zijn een kalenderhervorming aan de orde te stellen, namelijk de Volkerenbond.[15] Een commissie daarvan (verkeerscommissie!), had opdracht om een ontwerp uit te werken, dat in een of andere vorm waarschijnlijk zou zijn aangenomen. In vroegere jaargangen van deze kalender is vanuit geestelijk gezichtspunt meermaals op het onwenselijke van deze hervormingen gewezen. (Zie: “Kalender Pasen 1930/1931”, idem 1931/'32, 1932/'33). De uiterlijke politieke gebeurtenissen hebben aan dit voornemen een voorlopig einde gemaakt. Misschien zal, ná de huidige tijd, de toekomst toch minder naar een ordening verlangen, waarbij de kwartalen en de maanden op eeuwig gelijkblijvende weekdagen, de paasvieringen eeuwig op dezelfde datum zouden vallen, zoals in de verschillende hervormingsplannen wordt geëist. En misschien heeft het met dit dreigende vooruitzicht te maken, dat de werkelijke datum door R. Steiner werd aangegeven. “De 3e april van het jaar 33 is volgens geesteswetenschappelijke resultaten de sterfdag van Jezus Christus”, zo heet het in de [door Rudolf Steiner uitgegeven] kalender van 1912/'13.[16]

[15] Zie noot 9.
[16] Over Steiners kalender van 1912/'13 zie:
“Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe, Nr. 37/38, Frühjahr/Sommer 1972,
„Der Anthroposophische Seelenkalender und der Kalender 1912/1913“.

De kalender die Rudolf Steiner begin april 1912 uitgaf was bedoeld als aanzet tot een spirituele kalenderordening. Het jaar loopt daarin van Pasen tot Pasen. Verder gaat deze kalender uit van het jaar 33 na Chr. als het begin van de christelijke jaartelling. Het jaar 1912 was voor deze kalender dus het jaar 1879.
Zie ook de voordracht van 7 mei 1912 in Keulen, in Rudolf Steiner:
“Erfahrungen des Übersinnlichen. Die drei Wege der Seele zu Christus“,
(GA 143), Dornach 1994, 4e dr., pag. 163.

Zo accepteren wij welwillend ook de paasdatum van 1943, hoewel deze volgens een andere zienswijze op 28 maart gevierd had kunnen worden. Omdat volgens de oude regel de volle maan op 20 maart viel en daarom niet in aanmerking genomen mag worden, geldt pas de volgende lentevollemaan, die ons naar een Pasen op 25 april leidt. Astronomisch gezien was het volle maan op 21 maart kort voor middernacht en deze viel zowel met de dag-en-nacht-evening als met een zondag samen.[17] Een uiterst zeldzaam samentreffen! Maar ook als we ons aan de eenvoudige grondformule voor het paasfeest zouden houden: zondag na vollemaan na het begin van de lente, zou deze datum niet in aanmerking komen, omdat vanwege de late volle maan, pas kort voor middernacht, deze zondag niet als dag van de opstanding kan gelden. Dan zou juist de 28e maart in aanmerking komen. [pag. 9-10]

[17] In 2019 valt de astronomische lente-equinox op woensdagavond 20 maart om 22.58 uur en de lentevollemaan kort daarna op donderdag 21 maart om 2.43 uur, beiden volgens Nederlandse wintertijd. De astronomische paasdatum wordt dan zondag 24 maart 2019.
De kerkelijke paasdatum valt echter op zondag 21 april 2019, na de volle maan van vrijdag 19 april, omdat het begin van de lente voor de kerkelijke paasdatum is vastgezet op 21 maart, ook dan wanneer de datum van de astronomische lente-equinox hiervan afwijkt.
In 1924 deed zich een soortelijke situatie voor als in 1943 en 2019: de kerkelijke paasdatum was toen 20 april 1924, de astronomische paasdatum viel toen echter al op 23 maart.

Hier kunnen wij aanknopen bij wat R. Steiner bij gelegenheid van de vroege paasdatum van 1913 uiteengezet heeft, toen onmiddellijk, van dag tot dag, op elkaar volgden: dag-en-nacht-evening, vollemaan, paaszondag, zodat het begin van de lente met Goede Vrijdag, vollemaan met Stille Zaterdag samenviel.[18] Een geweldig teken van het hemelschrift! Geestelijk gezien is het feest van de opstanding niet een feest van het groeien en bloeien van de uiterlijke natuur, zoals het tegenwoordig materialistisch-oppervlakkig zo vaak wordt voorgesteld, maar het oprijzen van het geestelijke uit de afstervende natuur.[19] Voor de geestesonderzoeker komt bij elke lente veeleer de bange vraag op: zal de aarde nog lang genoeg de kracht hebben om te kunnen groeien en bloeien, opdat zij de mensheid zal kunnen dragen en verzorgen, zo lang als dit voor de missie van de aarde noodzakelijk is? Komt deze vraag juist op de dag op waarop de lente begint, de 21e maart, wanneer deze tegelijkertijd ook nog een Goede Vrijdag is, dan verschijnt als een ander teken de volle maan, de naar de aarde omlaag kijkende maangod Jahwe, die toornig vanwege de zondeval in het paradijs, het uiterlijke, fysieke zonlicht waarin Lucifer heerst, in de loop van het jaar met zijn kracht weerstaat.[20] Maar uit het graf komt het antwoord, doordat de zondag daarna de opgestane Christus de belofte doet, dat de aarde zal kunnen blijven leven en werken omdat deze met zijn bloed doordrenkt werd en de mensenzielen door zijn krachten opnieuw geboren kunnen worden. – Het jaar pakt anders uit, naar gelang deze drie gebeurtenissen sneller of langzamer op elkaar volgen. Beschouwd men voor dit jaar 1943 de tot nu toe verlopen tijd, dan heeft men zelfs de indruk, dat een vroege paasdatum de juiste zou zijn geweest. Met haar uitstekende proefnemingen heeft mevrouw Kolisko immers al bewezen, dat de paasdag er te midden van het jaarverloop op een bijzondere manier uitspringt en ook, zoals R. Steiner in 1913 aangaf – zich in zijn werkingen anders uitdrukt als alle andere vollemaansfasen in de loop van het jaar.

[18] Zie de voordracht op Paaszondag, 23 maart 1913, in Den Haag,
“Frühlingsanfang, Ostermond und Ostersonntag“,
in GA 150: “Die Welt des Geistes und ihr Hereinragen in das physische Dasein. Das Einwirken der Toten in die Welt der Lebenden”, Dornach 1980, 2e dr., Rudolf Steiner Verlag.
Een soortgelijke situatie als in 1913 deed zich ook in 2008 voor toen Pasen op 23 maart viel en het op Goede Vrijdag 21 maart vollemaan was. Zie „Ein frühes Osterfest”: Liesbeth Bisterbosch, “Ostern 2008, ein besonderes Frühlingsfest”,

[19] Zie met name de voordracht van 19 april 1924 over de Adonismysteriën die in de herfst plaatsvonden in Rudolf Steiner, “De opstanding van de geest”, Amsterdam 2008, Pentagon.
[20] Het was Lucifer die in het paradijs (in de gedaante van een slang) Eva verleidde.

We kunnen het paasfeest nog op een andere manier met de Christus-impuls in verbinding brengen, zoals in de voordrachtencyclus “Christus en de geestelijke wereld” uiteen is gezet.[21] Daar is sprake van de heilige graal en daarmee hebben we als het ware een andere christelijke interpretatie van de oude mysteriën, ja, de oorsprong van de nieuwe mysteriën, waarover in de paasvoordrachten [van 1924] gezegd werd, dat zij weer geboren zouden moeten worden.[22]

[21] Zes voordrachten gehouden van 28 december 1913 t/m 2 januari 1914 in Leipzig,
in: Rudolf Steiner, “Christus en de geestelijke wereld. Het mysterie van Golgotha en het geheim van de graal” (GA 149), Amsterdam 2006, Pentagon.
[22] Zie met name de Paasvoordracht van zondag 20 april 1924 in Rudolf Steiner, “De opstanding van de geest”, Amsterdam 2008, Pentagon.

Nu we moeten zeggen dat het licht van de vollemaan elke keer iets van de krachten van het fysieke zonlicht op aarde rooft, zo geldt dit voor het hele jaar, echter alleen tot aan de paasnieuwemaan. En nu zien wij Parcival, nadat hij lange tijd rondgedwaald heeft, weer naar de graalburcht rijden “bij dag in overgave aan de natuur, bij nacht aan de sterrenhemel”. En aan de hemel ziet hij de paasnieuwemaan staan, die goudglanzende sikkel, waarin het donkere deel van de maan, de zwak belichte donkere maanschijf rust, zoals de hostie in de schaal. En daar is in het sterrenschrift de naam van Parcival ingeschreven; deze naam is het, die op de heilige graal verschijnt. De schaal zien wij als de drager van de fysieke zonnekrachten; binnen in het donkere deel van de maan de hostie, [pag. 10-11] erop voorbereid om de drager te zijn van de geestelijke krachten van de zon. Terwijl Parcival verder rijdt, groeit de maan uit tot vollemaan, tot de paasvollemaan, die daar in het jaarverloop zogezegd als ‘nieuwe maan' staat wat zijn inwerking op de aardse stoffen betreft. Tot de dag van de opstanding is hij weer afnemende maan geworden, een, twee, zeven dagen na vollemaan kan het Pasen zijn, en de geestelijke zon begint te werken in het nu helemaal donkere deel van de maan, dat niet eens de zwakke lichtschijn toont als voor en na de nieuwe maan. Daarin leeft de zonnegeest; de kracht van Christus neemt in die mate toe als de kracht van Jahwe afneemt. “Hij moet toenemen, maar ik moet afnemen”, zo zegt deze maan als het ware. Niet over menselijke wezens wordt dit gezegd, maar over de betreffende geestelijke wezens: Jahwe en Christus.

In deze beide geesteswetenschappelijke paasbeschouwingen[23] bespeuren we iets van een hervorming van de beide paasvieringen, waar de geschiedenis ons over vertelt: van diegenen welke in het bijzonder de opstanding wilden gedenken, van waaruit de grote impuls voor de aarde- en mensheidsontwikkeling is uitgegaan, welke de nadruk op de zondag legt die op vollemaan volgt, – en van hen die zich aan het laatste avondmaal en de kruisiging hielden, toen de geboorte van het hogere Ik in de mensheid plaatsvond, die ten tijde van de lentevollemaan werd gevierd. En zo komen we weer terug op de betekenis van de afnemende maan voor het paasfeest, nu niet meer in de zin van een zielsmatig-symbolische verklaring zoals die van Augustinus, maar, meer in overeenstemming met onze tijd, een geestelijk-reële verklaring, welke iets spiritueel-wezenlijks met de menselijke ziel verbindt, doordat Christus, de zonnegeest, op paasdag werkelijk uit het aardegraf is opgestaan

[23] Bedoeld zijn hier de voordracht van 23 maart 1913 in Den Haag en die van 2 januari 1914 in Leipzig, hoewel de laatste geen Paasvoordracht was; zie de noten 18 resp. 6 en 21.
Inhoudelijk komen hier ook de vier Paasvoordrachten uit april 1924 in aanmerking, zie noot 2.

Rudolf Steiner over de betekenis van een beweeglijk paasfeest

Een aantal citaten bijeengebracht uit het verzameld werk van Rudolf Steiner, waarin de betekenis van de beweeglijkheid van de paasdatum tot uitdrukking komt.

Deze verzameling citaten is deels gebaseerd op die welke Wilhelm Hoerner reeds publiceerde in zijn boek “De Kampf um das bewegliche Osterfest”, Stuttgart 1998, Urachhaus.
Sommige citaten zijn wat uitgebreider dan bij Hoerner het geval is, zodat de context meer tot zijn recht komt.

Voetnoten en vertaling: Paul Heldens, tenzij anders vermeld.

De teksten zijn ook als een doc-bestand beschikbaar:

rudolf steiner betekenis beweeglijk paasfeest docx

Share on FacebookShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

© Stichting Een Klaar Zicht 1995-2019

 

naar bovencontact  ·  home