Home

Dynamiek van het jaarverloop

Twee tegenstellingen in het jaarverloop

De zon pendelt jaarlijks van zijn laagste naar zijn hoogste hemelboog en terug. Kijken we gedurende het jaar naar het aantal uren dat de zon zich boven de horizon bevindt, dan is er de grote tegenstelling
„de donkere tijd van het jaar“ (herfst en winter) versus „
de lichte tijd van het jaar“ (lente en zomer).
De winterzonnewende is de donkerste dag, de zon is het meest verborgen.
De zomerzonnewende is daarentegen de lichtste dag, de zon treedt het meest in ver-schijning.
Deze twee dagen zijn tegengesteld aan elkaar:

het meest in verschijning zijn
de zomerzonnewende
(juni)


het meest verborgen zijn
de winterzonnewende
(december)

Kijken we naar de verandering van dag tot dag, dan is er een andere tegenstelling te onderscheiden. De lente-evening en de herfstevening hebben tegengestelde eigenschappen:
in het begin van de lente lengen de dagen het snelst;
in het begin van de herfst worden de dagen het snelst korter.
In het begin van de lente is er „het krachtigst uitwikkelen“; in het begin van de herfst „het krachtigst inwikkelen“.


het snelst korten ----------- het snelst lengen
het krachtigste inwikkelen - het krachtigste uitwikkelen
de herfstevening ----------- de lente-evening
(september)--------------- ----- (maart)

De beide tegenstellingen kunnen in een kruis worden geplaatst.
 Van de winterzonnewende tot de zomerzonnewende treedt de zon steeds meer in verschijning.
Tot de lente-evening gebeurt dit steeds sneller, daarna steeds langzamer.
 Van de zomer- tot de winterzonnewende verbergt de zon zich steeds meer.
Tot de herfstevening gebeurt dit steeds sneller, daarna steeds langzamer.
 Na de winterzonnewende volgt een nieuwe cyclus. (Een cyclus heeft geen eenduidig begin- of eindpunt.)


het meest in verschijning zijn


het krachtigste -------- het krachtigste
inwikkelen------------ --uitwikkelen


het meest verborgen zijn

Deze vier bijzondere zonnedagen zijn de begindagen van een seizoen. De zonnebaan heeft in de vier seizoenen vier verschillende bewegingseigenschappen:
 Winter (tussen de winterzonnewende en de lente-evening):
De dagen zijn kort; de nacht is langer dan de dag.
De eerste winterdag is de donkerste dag van het jaar.
De zon wikkelt zich uit, het uitwikkelen gebeurt steeds intensiever.
 Lente (tussen de lente-evening en de zomerzonnewende):
De dagen zijn lang; de dag is langer dan de nacht.
Op de eerste lentedag wikkelt de zon het krachtigst uit. Het uitwikkelen wordt steeds minder intensief.


 Zomer (tussen de zomerzonnewende en de herfstevening):
De dagen zijn lang; de dag is langer dan de nacht.
De eerste zomerdag is de lichtste dag van het jaar.
De zon wikkelt zich in, het inwikkelen gebeurt steeds intensiever.
 Herfst (tussen de herfstevening en de winterzonnewende):
De dagen zijn kort; de nacht is langer dan de dag.
Op de eerste herfstdag wikkelt de zon zich het krachtigst in.
Het inwikkelen wordt steeds minder intensief.

De tijd van het jaar waarin de zonnebogen 'stijgen', van december tot juni, heet ook wel het stijgende of het opgaande jaar (aufsteigendes Jahr; in het Zwitsers: obsigent oder obsi). De periode juni-december heet het dalende of het afnemende jaar (absteigendes Jahr; in het Zwitsers: nidsigent oder nidsi).

De zon stijgt en daalt elke dag. Om geen verwarring te stichten tussen de dagelijkse en de jaarlijkse zonnebeweging wordt het halfjaarlijkse stijgen van de zonnebogen het uitwikkelen genoemd en het halfjaarlijkse dalen het inwikkelen.

Dynamiek - wending

Bekijk ook "De hemelbogen van de zon in de vier seizoenen".

In de maand vóór en ná de winterzonnewende veranderen de zonnebanen nauwelijks. Juist in deze tijd vindt er echter een grote wending plaats: voorheen was de zon zich nog aan het inwikkelen, in de komende tijd zal de zon zich steeds intensiever gaan uitwikkelen.
De richting van de veranderingen is na de winterzonnewende tegengesteld aan die van ervoor.
Het overeenkomstige geldt voor de maand vóór en ná de zomerzonnewende.

In de maand vóór en ná de lente-evening veranderen de zonnebanen daarentegen maximaal.
De richting van de veranderingen blijft hetzelfde. Wél verandert de dynamiek van het uitwikkelen: eerst versneld, daarna vertraagd.
Dit laatste is als het ware de voorbode van de toekomstige verandering (na de zomerzonnewende is er een inwikkelende beweging).
Het overeenkomstige geldt voor de maand vóór en ná de herfstevening.

Het uitwikkelen van de zon verloopt tot de eerste lentedag steeds intensiever,
daarna minder intensief (52̊ N.Br.).
De dikte van de pijl is een maat voor de toe- en afname.

In de binnenring is de jaarlijkse cyclus getekend tegen de klokrichting in.
Astronomisch gezien loopt de dagrichting van de zon (van oost naar zuid en west) met de klokrichting mee.
De jaarrichting van de zon in de Dierenriem (Vissen, Ram, Stier enz.) loopt echter in tegengestelde richting (van west naar oost, dus tegen de klokrichting in).

Het geheel kan als volgt worden samengevat:

Tijdens de winter- en de zomerzonnewende:
 in de zintuiglijk waarneembare wereld zijn er de geringste veranderingen,
 'in het verborgene' vindt er een ommekeer van richting plaats.

Tijdens de lente- en de herfstevening:
 in de zintuiglijk waarneembare wereld zijn er de grootste veranderingen,
 de richting van de veranderingen blijft hetzelfde,
 er is een geleidelijke overgang van steeds grotere veranderingen naar steeds kleinere veranderingen.


Het warmte-jaarritme in vergelijking met het licht-jaarritme
Overzicht warmteritme tijdvak 1961-1990 in ̊C (KNMI, De Bilt)

Maand Gem. temp. Gem. min. temp. Gem. max. temp.

jan 2,2 -0,6 4,6
feb 2,5 -0,5 5,7
mrt 5,0 1,3 8,9
apr 8,0 3,3 12,5
mei 12,3 7,2 17,1
jun 15,2 10,0 19,9
jul 16,8 11,9 21,5
aug 16,7 11,8 21,6
sep 14,0 9,4 18,7
okt 10,5 6,6 14,5
nov 5,9 2,9 8,9
dec 3,2 0,5 5,7

Juli en augustus zijn de warmste maanden van het jaar. Dit zijn de maanden die direct volgen op de langste dagen van het jaar. De zon is zich met steeds meer dynamiek aan het inwikkelen.
Januari en februari zijn de koudste maanden van het jaar. Dit zijn de maanden die direct volgen op de kortste dagen van het jaar. De zon is zich met steeds meer dynamiek aan het uitwikkelen.


De differentiatie van het zonnejaar in twaalf kwaliteiten

Bij het onderscheiden van de vier verschillende seizoenen wordt er als vanzelfsprekend uitgegaan van het overkoepelend geheel, de jaarcyclus. Er is sprake van een cyclus wanneer samenhangende processen in een bepaalde volgorde doorlopen worden. Het geheel heeft geen eenduidig startpunt, noch een eindpunt. De jaarlijkse zonnebeweging en de ontwikkeling van planten zijn oer-voorbeelden van een levenscyclus. De indeling van de jaarcyclus in twaalf verschillende maanden die elk een eigen kwaliteit hebben, maakt het mogelijk de overeenkomsten tussen het zonnejaar en de levenscyclus van de plant fijner uit te werken.
Al duizenden jaren geleden bestonden er kalenders die gebaseerd waren op de verschillende zonnekwaliteiten. Pas sinds ongeveer 500 jaar is het begin van het nieuwe jaar niet meer gerelateerd aan een bijzondere zonnedag.
De twaalf opeenvolgende maanden hebben elk een eigen kwaliteit. De overgangen tussen de drie opeenvolgende maanden van een seizoen verlopen vloeiend (zoals de kleuren van de regenboog in elkaar overvloeien). De vier bijzondere zonnedagen zijn omkeermomenten. De tegenoverstaande maanden van het jaar tonen tegengestelde eigenschappen.


Een botanisch intermezzo: 12 vormende krachten in het jaarverloop

Jochen Bockemühl nam bij klein kruiskruid (Senecio vulgaris) waar dat planten die in de verschillende maanden van het jaar waren gezaaid een duidelijk andere ontwikkeling hadden, terwijl bij de planten die binnen ongeveer vier weken gezaaid waren ongeveer gelijke vormende krachten werkzaam waren. De vormende krachten van het jaar konden gekarakteriseerd worden aan twaalf exemplaren die steeds een maand later gezaaid waren. Ze hadden elk een ander gebaar.
Bockemühl ervoer dat 'um richtig in den Gang des Jahres als einer Bewegung hineinzukommen' twaalf kwalitatief verschillend gevormde exemplaren met elkaar vergeleken moesten worden. Wanneer je bijv. de planten die om de week of om de twee weken gezaaid waren, met elkaar zou vergelijken, kom je op grond van deze veel grotere reeks exemplaren niet tot méér inzicht in de vormende krachten van het jaarverloop.(1972, of zie 1980, blz. 34)

Bockemühl, Jochen (1972): Der Jahreslauf als Ganzheit in der Natur. Elemente der Naturwissenschaft 16.
Bockemühl, J. (1980): Lebenszusammenhänge. Naturwissenschaftliche Sektion der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft, Dornach

Zie de rubriek "Kosmos en aarde"

De zon in verschillende gebieden op aarde

De besproken jaarcyclus betreft de Nederlandse zon, de zon in een land dat zich bevindt in de gematigde gebieden op het noordelijke halfrond. Op andere noorderbreedtes doorloopt de zon dagelijks een andere hemelboog en heeft het jaarritme een andere dynamiek.

In de donkere tijd van het jaar staat bijv. de Scandinavische zon korter aan de hemel dan de Nederlandse zon; in de lichte tijd van het jaar langer.
Voor bijv. de Italiaanse zon geldt het omgekeerde: in de donkere tijd van het jaar staat de Italiaanse zon langer aan de hemel dan de Nederlandse; in de lichte tijd van het jaar korter.

Bij de zomer- en winterzonnewende zijn de verschillen tussen de zonnebaan het grootst. Tijdens de lente- en de herfstevening duurt de dag in alle gebieden ongeveer even lang.

Omstreeks 20 maart en omstreeks 23 september komt voor alle mensen over de hele wereld de zon ongeveer om zes uur (ware zonnetijd) precies in het oosten op en gaat hij twaalf uur later precies in het westen onder. De zon staat deze beide dagen overal op aarde ongeveer even lang aan de hemel als onder de horizon. Men zou deze eveningsdagen tot mensheids-feestdagen kunnen uitroepen.

Ook op deze beide dagen verschilt de Nederlandse zon van de zon op andere noorder- en zuiderbreedtes. Enkele voorbeelden:
 De Noorweegse zon klimt en daalt vlakker dan de Nederlandse. Hij komt niet zo hoog boven de zuidelijke horizon; hij doorloopt een lagere hemelboog.
De schemeringstijden duren langer.
De Italiaanse zon klimt en daalt steiler dan de Nederlandse. Hij komt hoger aan de zuidelijke hemel; hij doorloopt een hogere hemelboog.
De schemeringstijden duren korter.

Binnen zo'n klein land als Nederland zijn er zelfs verschillen in de hoek van de zonnebaan met de horizon. Deze vallen echter nauwelijks op.
 In Utrecht (52̊ N.Br.) komt de zon dagelijks op onder een hoek van 38̊. Op de dag dat de zon precies in het oosten opkomt is de culminatiehoogte 38̊.
 In Zuid-Nederland (51̊ N.Br.) komt de zon op 39̊ boven de zuidelijke horizon te staan, in Noord-Nederland (53̊ N.Br.) 'maar' op 37̊.

Voor de grootste verschillen in zonnebaan moet men reizen naar de Noordpool (of Zuidpool) en de Evenaar.
 Op de Noordpool (90̊ N.Br.) komt de zon in het hele jaar maar één keer op. In het begin van de lente cirkelt hij evenwijdig aan de horizon en heeft voor zijn opkomst 30 uur nodig. Als de zon al een volledige rondgang langs de horizon heeft gemaakt (24 uur), heeft hij zich nog niet volledig boven de horizon verheven. De zomer eindigt met zijn ondergang, die eveneens 30 uur duurt.
De daaropvolgende schemeringstijd duurt ongeveer zeven weken.
 Op de Evenaar (0̊) staat de zon niet alleen tijdens de lente- en herfstevening ongeveer even lang aan de hemel als onder de horizon. Elke ochtend komt de zon omstreeks 6 uur (ware zonnetijd) loodrecht op en gaat hij ongeveer 12 uur later loodrecht onder. Het bijzondere van de lente- en de herfstevening is het culminatiepunt van de zon: op het midden van de dag staat hij recht boven je hoofd.
De schemeringstijd verloopt heel snel; van minuut tot minuut veranderen de kleuren aan de hemel en de gehele atmosfeer.

Op de andere dagen van het jaar zijn de zonnebanen in veel méér opzichten verschillend van elkaar. Niet alleen de hoek waaronder de zon stijgt en daalt verschilt van gebied tot gebied; eveneens heeft elk gebied zijn eigen tijdstip van opkomst en ondergang, een bepaalde daglengte, zijn eigen richting van opkomst en ondergang. Hiermee in samenhang heeft het jaarverloop een eigen dynamiek.
Een voorbeeld:
De Noorweegse zon komt in de lichte tijd van het jaar vroeger, noordelijker op dan de Nederlandse zon; de dagen zijn langer. In de donkere tijd van het jaar komt de Noorweegse zon later, zuidelijker op; de dagen zijn korter. De maanden van het jaar verschillen meer van elkaar. Tussen de zonnebaan in juni en die in december is er aanzienlijk meer verschil dan in Nederland. In de uitwikkelende tijd van het jaar is de toename van de daglengte veel groter; dit vooral in de maanden om de lenteëvening. In de inwikkelende tijd van het jaar worden de dagen veel sneller meer donker; de zonnebeweging heeft vooral in de maanden augustus - oktober meer dynamiek.


VERSCHILLEN IN HET VROEGER OPKOMEN EN HET LATER ONDERGAAN VAN DE ZON VÓÓR EN NÁ DE LENTE-EVENING (Utrecht en het hoge noorden)

Utrecht Oslo Trondheim Tromsö
(52̊) (60̊) (63̊) (69̊)
21/2 - 21/3
vroeger opkomen (min.) 65 86 95 128
later ondergaan (min.) 52 74 83 116

21/3 - 21/4
vroeger opkomen (min.) 70 92 107 146
later ondergaan (min.) 53 76 90 130

VERSCHILLEN IN HET LATER OPKOMEN EN HET VROEGER ONDERGAAN VAN DE ZON VÓÓR EN NÁ DE LENTE-EVENING (Utrecht en het hoge noorden)

Utrecht Oslo Trondheim Tromsö
(52̊) (60̊) (63̊) (69̊)
21/8 - 21/9
later opkomen (min.) 51 73 88 128
vroeger onder (min.) 71 92 107 146

21/9 - 21/10
later opkomen (min.) 51 73 86 120
vroeger onder (min.) 68 89 102 137


In Nederland is de hoek tussen de zonsopkomst tijdens de winterzonnewende en die tijdens de zomerzonnewende ongeveer 80̊. Op de kortste dag komt de zon 40̊ ten zuiden van het oostpunt op (nog net niet zo zuidelijk als het zuidoosten); op de langste dag 40̊ ten noorden van het oostpunt (nog net niet zo noordelijk als het noordoosten).
Hoe noordelijker een land is gelegen, des te groter zijn de verschuivingen van de richting waarin de zon van dag tot dag opkomt en ondergaat. Op de Poolcirkel (66½̊ N.Br.) blijft de zon op de kortste dagen in december zelfs op het midden van de dag onder de zuidelijke horizon. Op de langste dagen in juni staat de zon het hele etmaal aan de hemel; hij staat op het middernachtelijke uur boven de noordelijke horizon.
Het zuidelijkste opkomstpunt van de zon is helemaal bij het zuidpunt; het noordelijkste bij het noordpunt. De meest zuidelijke en de meest noordelijke opkomstpunt liggen maximaal verwijderd van elkaar (180̊)

In de gebieden ten zuiden van Nederland (die op het noordelijke halfrond zijn gelegen) komt de zon elke dag steiler op en culmineert hij hoger. De verschillen tussen de winter- en de zomerzonnebanen zijn minder dan bij ons.
In bijv. Italië is het 's winters niet zo donker (en koud) als in Nederland. In de donkere tijd van het jaar komt de zon vroeger op en gaat later onder. Hij komt niet zo zuidelijk op en gaat niet zo zuidelijk onder. In de zomer zijn daarentegen de dagen korter, de nachten langer. De Italiaanse zon komt in de lichte tijd van het jaar 's ochtends later op dan de Nederlandse zon en gaat 's avonds vroeger onder. Zijn hemelboog is minder noordelijk gelegen.
De maanden van het jaar tonen minder verschil. In de uitwikkelende tijd van het jaar is de toename van de daglengte geringer; in de inwikkelende tijd van het jaar neemt de daglengte minder af. Er is minder verschil tussen de seizoenen.
Op de Evenaar gaat de zon het hele jaar door ongeveer op hetzelfde tijdstip op en onder; elk etmaal is de zon even lang aan de hemel als onder de horizon. Op de Evenaar ligt het opkomstpunt van de zon tijdens de zomerzonnewende maar 2 keer 23½̊ noordelijker ofwel maar 47̊ verwijderd van dat tijdens de winterzonnewende. Voor het ondergangspunt geldt hetzelfde.

Op het zuidelijk halfrond verloopt veel tegengesteld aan het noordelijk halfrond. De winterzonnewende vind plaats op 21 juni; de zomerzonnewende vlak voor Kerst. De zon beweegt van oost via noord naar west. In december doorloopt de zon zijn hoogste hemelbogen boven de noordelijke horizon; in juni zijn laagste.
De zonnebeweging in de gebieden op bijv. 23½̊ Z.Br. (Steenbokkeerkring) heeft niet alleen tegengestelde eigenschappen aan die van 23½̊ N.Br (Kreeftkeerkring); er zijn ook overeenkomsten. De zonnebaan wikkelt zich in de opeenvolgende seizoenen ongeveer met dezelfde dynamiek uit en in. Evenzo heeft het Nederlandse jaarverloop overeenkomsten met de zonnedynamiek op 52̊ Z.Br.

Nederland tussen de Poolcirkel en de Evenaar

Vergelijken we Nederland (en de gematigde gebieden) met de gebieden ten noorden van de Poolcirkel en de gebieden bij de Evenaar.
 Hoe noordelijk het gebied is gelegen, hoe langer duren de dagen in de lichte tijd van het jaar en hoe langer duren de nachten in de donkere tijd. In het gebied tussen de Poolcirkel en de Noordpool zijn er in de lichtste tijd van het jaar dagen waarop de zon niet ondergaat en in de donkerste tijd van het jaar dagen waarop de zon niet opkomt. Op de Noordpool duurt de lange zomerdag ongeveer een half jaar; vervolgens duurt de lange winternacht ongeveer een half jaar.
 Hoe dichter het gebied bij de Evenaar is gelegen, hoe meer de maanden van het jaar op elkaar gaan lijken.
Zowel in de gebieden ten noorden van de Poolcirkel (66½̊ N.Br.) als in de gebieden om de Evenaar (tussen de Kreeftskeerkring op 23½̊ N.Br. en de Steenbokkeerkring op 23½̊ Z.Br.) en de gebieden ten zuiden van de zuidelijke Poolcirkel (66½̊ Z.Br.) is de jaarlijkse zonnebeweging minder ritmisch van aard als in de gematigde gebieden. In de gematigde gebieden is de cyclus van het jaarverloop het meest levendig gedifferentiëerd.

Share on FacebookShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

© Stichting Een Klaar Zicht 1995-2017

 

naar bovencontact  ·  home