Home

De twaalfkleurencirkel van Rudolf Steiner. Steiner ontwikkelde uit de zesdelige kleurencirkel van Goethe (rood, geel, groen, blauw, violet en purper) een twaalfdelige:
 Rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet zijn de bekende zeven kleuren van het zonnespectrum.
 Perzikbloesem (purper), twee nuances tussen perzikbloesem en violet en twee nuances tussen perzikbloesem en rood. Dit zijn de vijf purperkleuren.
Zie het menu "Extra!" voor afbeeldingen van de afzonderlijke Dierenriembeelden en teksten.

De twaalf sterrenbeelden van de Dierenriem

(Een tekst voor een nieuwe druk van het Sterrenkundeboek, versie 1998)

Twaalf sterrenbeelden behoren tot de Dierenriem: Vissen, Ram, Stier, Tweelingen, Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal, Schorpioen, Schutter, Steenbok en Waterman. Zon, maan en planeten bevinden zich altijd tussen de sterren van de Dierenriem. De lichtpunten in het omliggende gebied van bijv. de maan zijn de sterren van een Dierenriembeeld. Staat de maan tussen de sterren van de Leeuw, dan heet dit: "De maan staat in de Leeuw".
In het vlakke Nederland staat altijd de helft van de Dierenriem boven de horizon. De mens staat altijd in het midden van de Dierenriem. Meestal zijn echter niet meer dan vijf Dierenriembeelden tegelijk waarneembaar. Van het opkomende en ondergaande beeld zijn alleen de helderste sterren te zien.
Als de Vissen opkomen, gaat de Maagd onder; bij het ondergaan van de Vissen komt de Maagd op. Voor ons staan de Vissen en de Maagd tegenover elkaar. De andere tegenoverstaande beelden zijn: Ram-Weegschaal, Stier-Schorpioen, Tweelingen-Schutter, Kreeft-Steenbok en Leeuw-Waterman.
Elk zichtbaar Dierenriembeeld bevindt zich ergens in die brede strook waar de zon door het jaar heen aan de hemel kan staan. De Dierenriembeelden (én de planeten) verschijnen aan de hemel tussen de laagste en de hoogste zonnebanen.

De kwaliteiten van de Dierenriembeelden gezien vanuit hun hemelbogen

De Dierenriembeelden zijn op grond van hun baan ten opzichte van de horizon in te delen in bepaalde groepen. (De Grieken hebben op zo'n wijze naar de Dierenriem gekeken.)

  • De indeling in 'de lichte beelden' versus 'de donkere beelden'.
  • De indeling in 'de uitwikkelende beelden' versus 'de inwikkelende beelden'.

Door deze beide indelingen verder uit te werken, ontdekken we dat elk van de twaalf Dierenriembeelden unieke eigenschappen heeft.

De "lichte beelden' versus de "donkere beelden'

  • De beelden Ram, Stier, Tweelingen, Kreeft en Leeuw komen ten noorden van het oostpunt op en zijn elk etmaal meer dan twaalf uur aan de hemel. We noemen hen 'de lichte beelden'. In de lichte maanden van het jaar doorloopt de zon de lichte Dierenriembeelden.
  • Daarentegen komen Weegschaal, Schorpioen, Schutter, Steenbok en Waterman ten zuiden van het oostpunt op. Deze beelden zijn elk etmaal minder dan twaalf uur aan de hemel. We noemen hen 'de donkere beelden'. In de donkere maanden van het jaar gaat de zon door de donkere Dierenriembeelden.
  • De Vissen en de Maagd komen in het oosten op en gaan in het westen onder. Ze staan ongeveer even lang aan de hemel als onder de horizon. Deze twee Dierenriembeelden vormen een tussengroep; ze zijn noch lichte noch donkere beelden.

Elk paar tegenover-elkaar-staande beelden bestaat uit een licht en een donker beeld, bijvoorbeeld de lichte Stier en de donkere Schorpioen. Er is een uitzondering: het paar Vissen-Maagd bestaat niet uit een licht en een donker beeld.
Wanneer de Tweelingen culmineren, staan alle lichte beelden aan de hemel. De Vissen gaan onder en de Maagd komt op. Een half etmaal later culmineert de Schutter; alle donkere beelden staan boven de horizon. De Maagd gaat onder en de Vissen komen op. Na nog eens een half etmaal staan alle lichte beelden weer aan de hemel.

De Dierenriembeelden die tegenover elkaar staan

We kunnen de indeling van de Dierenriembeelden in de lichte en donkere beelden verder uitwerken. Dit is tevens een voorbereiding op de andere indeling.

  • De Tweelingen maakt van de lichte beelden de hoogste en de langst durende hemelboog. Dit Dierenriembeeld staat door het jaar heen de langste tijd als een oplichtend beeld aan de hemel. De Tweelingen is het lichtste beeld. De naburige beelden van de Tweelingen, de Stier en de Kreeft, zijn lichter dan de Ram en de Leeuw.
  • Het tegenoverstaande beeld van de Tweelingen, de Schutter, maakt van de donkere beelden de laagste en de kortst durende hemelbaan. Dit Dierenriembeeld staat door het jaar heen de meeste uren verborgen onder de horizon. De Schutter is het donkerste beeld. De naburige beelden van de Schutter, de Schorpioen en de Steenbok zijn donkerder dan de Weegschaal en de Waterman.

'De uitwikkelende beelden' versus 'de inwikkelende beelden'
De twaalf Dierenriembeelden zijn ook op een andere wijze in te delen in twee groepen.

  • De beelden Steenbok, Waterman, Vissen, Ram, Stier en Tweelingen hebben gemeen dat elk volgend beeld noordelijker opkomt dan de voorganger. Het Dierenriembeeld dat later opkomt doorloopt een grotere en hogere hemelboog. Zo staat bijv. het beeld de Vissen elk etmaal langer boven de horizon dan de Waterman en de Steenbok. Elk volgend beeld is een lichter beeld.

De zich uitwikkelende zon doorloopt in de maanden van het jaar dat de dagen steeds langer worden de Steenbok, de Waterman, de Vissen, de Ram, de Stier en komt op de lichtste dagen van het jaar in de Tweelingen. Het Dierenriembeeld dat meer 'uit de aarde, aan de hemel' is dan zijn voorganger is als het ware 'meer uitgewikkeld'. De beelden Steenbok, Waterman, Vissen, Ram, Stier en Tweelingen noemen we 'uitwikkelende beelden'. Een uitwikkelend beeld is een Dierenriembeeld dat elk etmaal een noordelijker, langere en hogere boog maakt dan zijn voorganger.

  • De beelden Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal, Schorpioen en Schutter hebben het tegenovergestelde gemeen: elk volgend beeld komt zuidelijker op dan zijn voorganger. Het meer oostwaarts gelegen beeld maakt een kleinere, lagere en kortere hemelbaan. Zo is bijv. de Maagd elk etmaal meer uren onder de horizon verborgen dan de Leeuw en de Kreeft. Elk volgend beeld is een donkerder beeld.

De zich inwikkelende zon doorloopt in de maanden van het jaar dat de dagen steeds korter worden de Kreeft, de Leeuw, de Maagd, de Weegschaal, de Schorpioen en bereikt op de donkerste dagen van het jaar de Schutter. Het Dierenriembeeld dat meer 'onder de horizon is dan zijn voorganger is als het ware 'meer ingewikkeld'. De beelden Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal, Schorpioen en Schutter noemen we 'inwikkelende beelden'. Een inwikkelend beeld is een Dierenriembeeld dat elk etmaal een zuidelijker, kortere en lagere boog maakt dan zijn voorganger.

Elk paar tegenover elkaar staande beelden bestaat uit een inwikkelend en een uitwikkelend beeld. Enkele voorbeelden: Tegenover het inwikkelende beeld de Kreeft staat het uitwikkelende beeld de Steenbok. Tegenover het inwikkelende beeld Maagd staat het uitwikkelende beeld de Vissen.

Eigenschappen van de Dierenriembeelden op grond van beide indelingen
Door de aandacht zowel te richten op de hemelboog van het beeld als op de verhouding tussen deze hemelboog en die van het voorafgaande Dierenriembeeld, lijkt elk van de twaalf Dierenriembeelden een unieke combinatie van eigenschappen te hebben.

  • Ram en Leeuw maken even hoge en lange hemelbogen; ze zijn beelden lichte beelden. De Ram is echter een uitwikkelend beeld, terwijl de Leeuw een inwikkelend beeld is.
  • Schorpioen en Steenbok maken even lage en korte hemelbanen. De Schorpioen is een donker, inwikkelend beeld, terwijl de Steenbok een donker, uitwikkelend beeld is.
  • De Ram en de Waterman zijn beide uitwikkelende beelden. De Ram is echter een licht beeld; de Waterman een donker beeld.
  • De Ram en de Stier zijn beide lichte én uitwikkelende beelden; de Stier is een 'lichter beeld'.
  • De Leeuw en de Weegschaal zijn beide inwikkelende beelden. De Leeuw is echter een licht beeld en de Weegschaal een donker beeld.
  • De Weegschaal en de Schorpioen zijn beide donkere en inwikkelende beelden; de Schorpioen is een 'donkerder beeld'.

De jaarlijkse gang van de zon door de Dierenriem

Door het jaar heen verandert de sterrenhemel. De sterren bewegen sneller langs hun hemelboog van oost naar west dan de zon. De zon 'houdt zich in' en is na een maand aangekomen in het later opkomende en ondergaande Dierenriembeeld, dat meer oostelijk is gelegen. De zon komt van maand tot maand in een ander Dierenriembeeld. Hij beweegt door de Dierenriem van de Vissen naar de Ram, Stier, Tweelingen enz.
De zon staat na (gemiddeld) 24 uur weer in het zuiden. De sterren culmineren al na 23 uur en 56 minuten. Na 30 dagen culmineren ze 30 keer vier minuten vroeger ofwel al twee uur vroeger. Wanneer we maandenlang 's avonds om bijv. 22 uur naar een bepaald sterrenbeeld kijken, zien we dat dit een maand later 30̊ meer westwaarts staat op zijn hemelboog. De twaalf Dierenriembeelden zijn een maand later 'een plaats' opgeschoven; elk beeld staat 30̊ verder op zijn hemelboog van oost naar west.
(Zie de twaalf middernachtkaarten, die getekend zijn voor de eerste van de maand om 0.40 wintertijd. "Sterren- en planetenkalender". Deze kaarten hebben een vast tijdstip. De avondkaarten zijn getekend drie kwartier na zonsondergang, de ochtendkaarten drie kwartier voor zonsopkomst) De kaart voor januari is ook te gebruiken in februari omstreeks 22 uur en in maart omstreeks 20 uur.

In het grootste Dierenriembeeld, de Maagd, verblijft de zon ongeveer 46 dagen. In het volgende beeld, de kleine Weegschaal, is de zon slechts 19 dagen. De Dierenriembeelden zijn ongelijk van grootte. Meestal volgt op een groot beeld een klein beeld. Het midden van de beelden ligt wel op regelmatige afstanden (ongeveer 30̊) van elkaar. Na ongeveer 30 dagen is de zon uit het midden van een beeld naar het midden van het oostelijker gelegen beeld verschoven. Na een half jaar staat de zon in het tegenoverstaande beeld van de Dierenriem.

Een voorbeeld: In de Kersttijd kunnen we de Schutter niet zien. De Schutter komt samen met de zon op en maakt met de zon een kleine, lage hemelbaan ongeveer van zuidoost naar zuidwest. Bij zonsondergang, nog geen acht uur na het opkomen, gaan ze samen onder. In de lange decembernacht zijn de zon en de Schutter onder de horizon. In die maand is het tegenoverliggende beeld, de Tweelingen, de gehele nacht te bewonderen. Bij zonsondergang komen de Tweelingen ongeveer in het noordoosten op, in het midden van de nacht staan de heldere sterren Castor en Pollux op hun hoogst in het zuiden en pas tijdens het ochtendgloren gaan de Tweelingen ongeveer in het noordwesten onder.

Na een half jaar staat de zon in de Tweelingen. Zon en Tweelingen doorlopen overdag hun grote, hoge hemelboog. En de Schutter maakt van zonsondergang tot zonsopkomst zijn kleine, lage hemelbaan.
Ook voor de andere beelden geldt: Het beeld waarin de zon zich bevindt, is onzichtbaar; de maand ervoor en erna is het hoogstens even in de schemering te zien. Het beeld dat zich tegenover de zon bevindt, heeft zijn 'gloriemaand': het staat de hele nacht aan de hemel en bevindt zich in het midden van de nacht op zijn hoogst in het zuiden. In de maand ervoor en erna is het beeld bijna de hele nacht goed te zien.

De Dierenriembeelden die in de avondschemering ongeveer gelijktijdig beginnen op te lichten, waren overdag onzichtbaar opgekomen. Ze gaan in de loop van de nacht onder. Dit na elkaar verdwijnen 'in de donkere aarde' is te volgen, als je de hele nacht op zou blijven. De avondbeelden gaan na een maand twee uur vroeger onder. Het beeld dat deze maand op het einde van de schemering nog even zichtbaar wordt, zal de volgende maand niet meer te zien zijn. De andere beelden zullen in de komende maanden in de avondgloed onzichtbaar worden. De heliakische* ondergang van het beeld, het verdwijnen in de gloed van de ondergaande zon, is het einde van zijn zichtbaarheidsperiode. Het beeld gaat slechts kort na de zon onder. De zon zal in het komende halfjaar de beelden die in de avondschemering aan de hemel staan, doorlopen ('de toekomst van de zon').

*Het Griekse woord 'helios' betekent zon.

De Dierenriembeelden die in het ochtendgloren aan de oplichtende hemel ongeveer gelijktijdig verbleken, waren 's nachts na elkaar aan de donkere hemel opgekomen. Na een maand komen ze twee uur vroeger in de nacht op. Ze zullen de komende maanden steeds langere tijd zichtbaar zijn. Het beeld dat deze maand net voor het ochtendgloren even vaag zichtbaar is, begint een nieuwe zichtbaarheidsperiode. De heliakische opkomst van het beeld is het zichtbaar worden van een beeld uit het licht van de opkomende zon. Het beeld 'komt op' uit het zonnelicht. Het zal in de komende maanden steeds vroeger voor de zon opkomen. De zon was het afgelopen half jaar in de beelden die in de ochtendschemering aan de hemel stonden. ('het verleden van de zon').

De vier belangrijkste standen van de Dierenriem

De Dierenriem doorloopt in (bijna) een etmaal steeds andere standen. Hij daalt van zijn hoogste stand (de Tweelingen culmineren) via zijn meest westelijke (de Tweelingen gaan onder in het noordwesten) naar de laagste stand (de Schutter culmineert). Vervolgens stijgt hij via de meest oostelijke stand (de Tweelingen komen op in het noordoosten) naar de hoogste stand.
Bij het bespreken van de fenomenen kan de aandacht gericht worden op het verschil in de stand van de Dierenriem in het begin en het einde van de nacht. Voor de snelle leerlingen zijn de verschuivingen van de stand van de Dierenriem een boeiend onderwerp.


De kleuren voor de Dierenriemtekens/beelden

Er bestaan verschillende kleurrijke Dierenriemkaarten. De kleurindelingen die de twaalf verschillende zonnekwaliteiten in het jaarverloop tot uitdrukking brengen, zoals de twaalfkleurencirkel van Rudolf Steiner, hebben veel te bieden.
Steiner ontwikkelde uit de zesdelige kleurencirkel van Goethe (rood, geel, groen, blauw, violet en purper) een twaalfdelige:
 Rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet zijn de bekende zeven kleuren van het zonnespectrum.
 Perzikbloesem (purper), twee nuances tussen perzikbloesem en violet en twee nuances tussen perzikbloesem en rood. Dit zijn de vijf purperkleuren.
Voor de euritmische vertolking van de twaalf stemmingen van de Dierenriem maakte hij de kleurindeling Ram-rood, Stier-oranje, Tweelingen-geel, enz. De Steenbok, die tegenover de Kreeft (groen) staat, kreeg het tere perzikbloesem. De Schorpioen (blauwig lila) en de Schutter (roodachtig lila) kregen de kleurovergangen tussen het perzikbloesem en het violet; de Waterman (roze) en de Vissen (teer rood) hebben de kleuren die liggen tussen het perzikbloesem en het rood.

Een bordtekening van de gekleurde Dierenriem met de mens in het midden is voor de leerlingen een houvast bij het werken met de Dierenriem. De Tweelingen (geel) staan bovenaan, de Schutter (roodachtig lila) staat onderaan, de Vissen (teer rood) rechts en de Maagd (indigo) links. Door deze kleurindeling krijgt de Dierenriemkaart zeggingskracht:
 De zon doorloopt in de lichte tijd van het jaar de beelden met een heldere, duidelijk onderscheidbare kleur (rood, oranje, geel, groen, blauw). De zon doorloopt in de donkere tijd van het jaar de beelden met een 'geheimzinnige', moeilijk te onderscheiden kleur (de purperkleuren).
 De zon doorloopt in de uitwikkelende tijd van het jaar de 'roodgetinte beelden' Steenbok, Waterman, Vissen, Ram en Stier. In de inwikkelende tijd van het jaar doorloopt de zon de 'blauwige' beelden Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal, Schorpioen en Schutter.

DE DIERENRIEMBEELDEN

Beeld Kleur Graden* Dag**

Ram rood 29 20 april
Stier oranje 53 14 mei
Tweelingen geel 89 20 juni
Kreeft groen 117 20 juli
Leeuw blauw 138 11 augustus
Maagd indigo 173 16 september
Weegschaal violet 219 (39) 2 november
Schorpioen blauwig lila 238 (58) 21 november
Schutter rood-lila 268 (88) 20 december
Steenbok perzikbloesem 298 (118) 19 januari
Waterman roze 326 (146) 15 februari
Vissen teer rood 351 (171) 12 maart

* Ongeveer 29 dagen na het begin van de lente (0̊) komt de zon in het Dierenriembeeld Ram. Hij doorloopt in 24 dagen het kleine beeld Ram en komt ongeveer 53 dagen na het begin van de lente in de Stier enz.
De getallen tussen haakjes zijn handig bij het maken van de Dierenriemkaart, werkwijze, punt 3.
** De week (ongeveer de dag) waarop de zon in het volgende Dierenriembeeld komt.


Het Dierenriembeeld en 'je Dierenriemteken'

Op de dag van de geboorte is het sterrenbeeld waarin de zon staat natuurlijk niet te zien. Ook op je verjaardag is dat sterrenbeeld niet te zien. Dit Dierenriembeeld maakt overdag zijn hemelboog en is 's nachts samen met de zon onder de horizon. Een half jaar na je verjaardag, heeft het sterrenbeeld zijn beste zichtbaarheid, zijn gloriemaand.
Er kan in de klas de situatie ontstaan: de leerling die bijv. op 12 januari zijn verjaardag heeft, merkt op dat hij niet een Schutter is, maar een Steenbok. Wat nu? Hiermee wordt bedoeld dat het Dierenriemteken waarin de zon bij de geboorte stond, Steenbok is. "Ik ben Steenbok" betekent dat het Dierenriemteken of het zonneteken Steenbok is.

Tegenwoordig is de naam van je zonneteken niet dezelfde als de naam van het sterrenbeeld waarin de zon stond bij de geboorte (en op de verjaardag). De zon staat elk jaar op de verjaardag van deze leerling tussen de sterren van het Dierenriembeeld Schutter. In de astrologie kijkt men naar de indeling van de zonneweg in twaalf tekens en zegt men dat op 12 januari de zon zich bevindt in het Dierenriemteken Steenbok (zie Euktemon in de Geschiedkundige beschouwing geschbeelden2.pdf)

In een zevende klas (12jarigen) kunnen de verschillen tussen een Dierenriem-teken en een Dierenriem-beeld slechts op vereenvoudigde wijze worden toegelicht:
 We zien aan de hemel de sterren van de Dierenriembeelden, het ene beeld is groter dan het andere.
 De indeling van de jaarlijkse zonnebaan door de Dierenriem in twaalf even grote Dierenriemtekens is meer dan 2.000 jaar oud. In die tijd stond de zon op 12 januari wél zowel in het sterrenbeeld Steenbok als in het teken Steenbok. De 'vaste sterren' blijken in de loop van honderden, duizenden jaren van hemelboog te veranderen. Ze doorlopen ook zo'n uit- en inwikkelende gang als de zon, maar dan veel trager, onopmerkzaam langzaam (voor een cyclus hebben ze bijna 26.000 jaar nodig; zie deel II).

De Steenbok doorliep 2.000 jaar terug zulke lage hemelbogen als de zon in de eerste maand nadat hij zijn laagste hemelbogen had doorlopen (22 december - 20 januari); hij maakte toen elk etmaal ongeveer dezelfde hemelboog als de Schutter tegenwoordig. De Steenbok had ongeveer 2.000 jaar nodig om zich zoveel uit te wikkelen als de zon doet in een maand. De zon staat gedurende ons hele leven elk jaar van ongeveer 20 januari tot 15 februari tussen de sterren van de Steenbok.

In de astrologie wordt (meestal) niet gerekend met de plaats van de zon tussen de sterren van het Dierenriembeeld, maar met zijn plaats in het Dierenriemteken. De indeling van toen wordt ook nu nog gebruikt. Toen stond de zon op 12 januari in het Dierenriembeeld/teken Steenbok. De mensen die op 12 januari geboren worden, hebben als zonneteken de Steenbok.

Aansluitende thema's als het verschuiven van het lentepunt, het Platonisch wereldjaar en de opeenvolgende cultuurperiodes kunnen genoemd worden, maar zijn geen onderwerpen om met zevende klassers aan te werken (zie deel II).

Als we geen nadruk leggen op de grenzen van de beelden en de tekens, maar de plaats van de zon in de Dierenriem slechts globaal aanduiden (in maart staat de zon in de Vissen, in juni in de Tweelingen, in september in de Maagd enz.), ontstaan er waarschijnlijk geen vragen naar het verschil tussen de 'de astronomische beelden' en 'de astrologische tekens'.

Vaak klinkt als hét bezwaar tegen de astrologie dat de astrologen niet kijken naar de werkelijke plaats van de planeten tussen de sterren van de Dierenriembeelden, maar naar een verouderd schema. Deze ruimtelijke benadering leidt echter de aandacht af van de kernvragen die de astrologie oproept in de huidige fase van de mensheidsontwikkeling. (De brieven van Elisabeth Vreede bieden veel aanknopingspunten voor het ontwikkelen van nieuwe inzichten in de relatie kosmos-mens. Haar brieven zijn gebundeld uitgegeven in het dikke boekwerk 'Astronomie und Anthroposophie' en een veel dunnere versie 'Astrologie und Anthroposophie'.)

Sommige klassen blijken totaal geen belangstelling te hebben voor de astrologie; in andere klassen verzamelen kinderen uit eigen initiatief alle voorspellingen over hun Dierenriemteken. Hoe bespreken we met deze leerlingen zo'n overgeleverde traditie die niet meer aan de tijd is? Hoe kijken bijv. de leerlingen 'die een Steenbok zijn' naar de verschillende voorspellingen over de Steenbok in de tijdschriften? En wat vinden degenen die in een andere maand van het zonnejaar geboren zijn: zouden zij het voorspelde ook kunnen meemaken?

De grenzen tussen de Dierenriembeelden

De officiële grenzen tussen de Dierenriembeelden zijn gebaseerd op een afspraak van de Internationale Astronomische Unie (I.A.U.) uit 1928. Met noord-zuid en oost-west lopende lijnen werd de hemel in 88 gebieden verdeeld. Bij deze ruimtelijke indeling ging de I.A.U. uit van de 48 Ptolemaeïsche sterrenbeelden (de beelden waarvan de namen een mythologische oorsprong hebben) en van de zogenaamde moderne beelden (de beelden die in de 17e en 18e eeuw zijn ontworpen). De grenzen liggen meestal in de lege gebieden tussen de sterren van het ene beeld en die van het andere. (Zie de geschiedkundige beschouwing in deel II.)
De grenzen zijn dus geen 'kosmisch gegeven'. Fenomenologisch gezien, heeft het meer zin te spreken over de week waarin de zon in het volgende Dierenriembeeld komt, dan over de dag.

In de antroposofische literatuur worden sinds de eerste Sternkalender uit 1929 vaak enigszins andere grenzen gekozen. Deze wijken bij de meeste beelden enige graden af van de grenzen van de I.A.U. (De zon komt enige dagen vroeger of later in het Dierenriembeeld.) In de Sternkalender uit 1972 en 1996 zijn sommige grenzen een graad veranderd, dit vanwege het verschuiven van het lentepunt. De gebruikte gradenindeling (zie tabel) is ontleend aan de Sternkalender 2000-2001.

Zie het artikel "Grenzen am Himmel" von Christian Pinter

Share on FacebookShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

© Stichting Een Klaar Zicht 1995-2017

 

naar bovencontact  ·  home