De Dierenriem

Inleiding

Twaalf sterrenbeelden behoren tot de Dierenriem: Vissen, Ram, Stier, Tweelingen, Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal, Schorpioen, Schutter, Steenbok en Waterman. In het vlakke Nederland staat altijd de helft van de Dierenriem boven de horizon. De mens staat altijd in het midden van de Dierenriem. Meestal zijn echter niet meer dan vijf Dierenriembeelden tegelijk waarneembaar.

Van het opkomende en ondergaande beeld zijn alleen de helderste sterren te zien. Als de Vissen opkomen, gaat de Maagd onder; bij het ondergaan van de Vissen komt de Maagd op. Voor ons staan de Vissen en de Maagd tegenover elkaar. De andere beelden die tegenover elkaar aan de hemel staan, zijn:

Ram - Weegschaal,
Stier - Schorpioen,
Tweelingen - Schutter,
Kreeft - Steenbok en
Leeuw - Waterman.

Zon, maan en planeten bevinden zich altijd tussen de sterren van de Dierenriem. De lichtpunten in het omliggende gebied van bijv. de maan zijn de sterren van een Dierenriembeeld. Staat de maan tussen de sterren van de Leeuw, dan heet dit: "De maan staat in de Leeuw". Elk zichtbaar Dierenriembeeld bevindt zich ergens in die brede strook waar de zon door het jaar heen aan de hemel kan staan. De Dierenriembeelden (én de planeten) verschijnen aan de hemel tussen de laagste en de hoogste zonnebanen.
 

De jaarlijkse gang van de zon door de Dierenriem

Door het jaar heen verandert de sterrenhemel. Van maand tot maand staat er bijv. bij zonsondergang een ander beeld aan de oostelijke hemel. De sterren bewegen sneller langs hun hemelboog van oost naar west dan de zon. De zon 'houdt zich in' en is na een maand aangekomen in het later opkomende en ondergaande Dierenriembeeld, dat meer oostelijk is gelegen. De zon komt van maand tot maand in een ander Dierenriembeeld. Hij beweegt door de Dierenriem van de Vissen naar de Ram, Stier, Tweelingen enz.
De zon staat na (gemiddeld) 24 uur weer in het zuiden. De sterren culmineren al na 23 uur en 56 minuten. Na 30 dagen culmineren ze 30 keer vier minuten vroeger ofwel al twee uur vroeger. Wanneer we maandenlang 's avonds om bijv. 22 uur naar een bepaald sterrenbeeld kijken, zien we dat dit een maand later 30° meer westwaarts staat op zijn hemelboog. De twaalf Dierenriembeelden zijn een maand later 'een plaats' opgeschoven; elk beeld staat 30° verder op zijn hemelboog van oost naar west.
In het grootste Dierenriembeeld, de Maagd, verblijft de zon ongeveer 46 dagen. In het volgende beeld, de kleine Weegschaal, is de zon slechts 19 dagen. De Dierenriembeelden zijn ongelijk van grootte. Meestal volgt op een groot beeld een klein beeld. Het midden van de beelden ligt wel op regelmatige afstanden (ongeveer 30°) van elkaar. Na ongeveer 30 dagen is de zon uit het midden van een beeld naar het midden van het oostelijker gelegen beeld verschoven. Na een half jaar staat de zon in het tegenoverstaande beeld van de Dierenriem.

Een voorbeeld: In de Kersttijd kunnen we de Schutter niet zien. De Schutter komt samen met de zon op en maakt met de zon een kleine, lage hemelbaan ongeveer van zuidoost naar zuidwest. Bij zonsondergang, nog geen acht uur na het opkomen, gaan ze samen onder. In de lange decembernacht zijn de zon en de Schutter onder de horizon. In die maand is het tegenoverliggende beeld, de Tweelingen, de gehele nacht te bewonderen.
Bij zonsondergang komen de Tweelingen ongeveer in het noordoosten op, in het midden van de nacht staan de heldere sterren Castor en Pollux op hun hoogst in het zuiden en pas tijdens het ochtendgloren gaan de Tweelingen ongeveer in het noordwesten onder. Na een half jaar staat de zon in de Tweelingen. Zon en Tweelingen doorlopen overdag hun grote, hoge hemelboog. En de Schutter maakt van zonsondergang tot zonsopkomst zijn kleine, lage hemelbaan.

Ook voor de andere beelden geldt: Het beeld waarin de zon zich bevindt, is onzichtbaar; de maand ervoor en erna is het hoogstens even in de schemering te zien. Het beeld dat zich tegenover de zon bevindt, heeft zijn 'gloriemaand': het staat de hele nacht aan de hemel en bevindt zich in het midden van de nacht op zijn hoogst in het zuiden. In de maand ervoor en erna is het beeld bijna de hele nacht goed te zien.
De Dierenriembeelden die in de avondschemering ongeveer gelijktijdig beginnen op te lichten, waren overdag onzichtbaar opgekomen. Ze gaan in de loop van de nacht onder. Dit na elkaar verdwijnen 'in de donkere aarde' is te volgen, als je de hele nacht op zou blijven. De avondbeelden gaan elke volgende maand twee uur vroeger onder. Het beeld dat deze maand op het einde van de schemering nog even zichtbaar wordt, zal de volgende maand niet meer te zien zijn. De andere beelden zullen in de komende maanden in de avondgloed onzichtbaar worden. Het verdwijnen in de gloed van de ondergaande zon, is het einde van zijn zichtbaarheidsperiode. Dit wordt genoemd de heliakische ondergang van het sterrenbeeld. (Het Griekse woord 'helios' betekent zon.)
Na zonsondergang worden aan de hemel die beelden zichtbaar, die de zon in het komende halfjaar zal doorlopen. ('Het toekomstige gebeuren toont zich ').
De Dierenriembeelden die in het ochtendgloren aan de oplichtende hemel ongeveer gelijktijdig verbleken, waren 's nachts na elkaar aan de donkere hemel opgekomen. Na een maand komen ze twee uur vroeger in de nacht op. Ze zullen de komende maanden steeds langere tijd zichtbaar zijn. Het beeld dat deze maand net voor het ochtendgloren even vaag zichtbaar is, begint een nieuwe zichtbaarheidsperiode. De heliakische opkomst van het beeld is het zichtbaar worden van een beeld uit het licht van de opkomende zon. Het beeld 'komt op' uit het zonnelicht. Het zal in de komende maanden steeds vroeger voor de zon opkomen. De zon was het afgelopen half jaar in de beelden die in de ochtendschemering aan de hemel stonden. ('het verleden toont zich').
 

Methodisch-didactische opmerkingen

De opbouw van de bespreking

De dagelijkse en jaarlijkse bewegingen van de Dierenriem zijn veel te gecompliceerd om ze als zodanig in de zevende klas te kunnen bespreken. Bij het behandelen van de Dierenriem moeten we ons beperken.
Veel leerlingen hebben ongeveer een week nodig om een vereenvoudigde versie van de dagelijkse en de jaarlijkse beweging van de zon in de Dierenriem 'onder de knie te krijgen'. Laat de leerlingen al in een vroeg stadium de namen van de Dierenriembeelden in de juiste volgorde uit het hoofd leren (Vissen, Ram, Stier, Tweelingen, etc.).
Als voorbereiding voor het nalopen van de Dierenriembeweging tekenen de leerlingen de gestalte van een Dierenriembeeld en ook van het tegenoverstaande beeld. Het kind dat bijv. voor de Tweelingen heeft gekozen, tekent ook de Schutter. Ook al zijn alle nachten bewolkt, het enthousiasme om 'het eigen sterrenbeeld' te mogen tekenen is bij velen groot. Wanneer er mythologische afbeeldingen van de Dierenriembeelden in de klas hangen, zijn veel kinderen geneigd deze gestalten na te tekenen. De tekeningen moeten zo groot en kleurrijk zijn dat ze bij het nalopen van de bewegingen van de Dierenriem te gebruiken zijn.
Sommige kinderen willen in de gestalte de sterren tekenen. Als ze dat doen, moet het ook goed gebeuren. Meestal zijn de leerlingen wel in staat de verhoudingen van de gestalten goed weer te geven, maar niet de afstandsverhoudingen tussen de sterren. Hiervoor hebben ze een goed (niet vertekend) voorbeeld nodig.
Het is beter zich eerst alleen te concentreren op de oost-west beweging van de Dierenriembeelden en de volgorde waarop ze opkomen en ondergaan. (De twaalf sterrenbeelden komen na elkaar aan de oostelijke hemel op en verdwijnen achter de westelijke horizon.) In een latere fase kan verteld worden dat de opeenvolgende Dierenriembeelden in verschillende richtingen opkomen en verschillende hemelbogen doorlopen (de noord-zuid verschillen). Men maakt dan het onderscheid tussen de Tweelingen met hun naburige Dierenriembeelden, 'de lichte beelden', en de Schutter met zijn naburige Dierenriembeelden, 'de donkere beelden'. Voor de zevende klas is het vormen van een beweeglijke ruimtelijke voorstelling van al die verschillende hemelbanen te gecompliceerd.
Leerlingen die oplettend waarnemen, kunnen met vragen komen waardoor je hen ook iets moet laten zien van de verschillende standen van de Dierenriem en de Dierenriem-dynamiek.
 

Het zelf lopen van de hemelbogen

Met het nalopen van de Dierenriembewegingen kan begonnen worden als de leerlingen met de bewegingen van de sterren en de zon al enigszins vertrouwd zijn, anders lopen ze slechts mee zonder op te letten en veel ontgaat hen.
De kinderen krijgen elke keer na het lopen schriftelijke opdrachten. Onderstaand voorbeeld laat zien hoe dit opgebouwd kan worden.
  • Twaalf leerlingen vormen een zo'n groot mogelijke cirkel; elk toont de tekening van een Dierenriembeeld. De leerlingen weten dat de beelden Vissen, Ram, Stier, enz. na elkaar opkomen en ondergaan. Ze staan tegen de wijzers van de klok in.
  • Een leerling staat in het midden. Vóór hem is het zuiden, precies links van hem het oosten en rechts van hem het westen.
  • We beginnen met de Tweelingen op het hoogst, in het zuiden. Kreeft, Leeuw en Maagd zijn stijgend aan de oostelijke hemel; de Maagd is in het oosten aan het opkomen. Het tegenoverstaande beeld, de Vissen, is in het westen aan het ondergaan. Tussen de Vissen en de Tweelingen staan de Ram en de Stier. De leerlingen heffen hun tekeningen op verschillende hoogtes: de Tweelingen het hoogst; Vissen en Maagd ongeveer op navelhoogte.
  • De overgebleven leerlingen voegen zich naast en achter de leerling in het midden en 'bewonderen' eveneens deze hemel.
    Voor de leerkracht: De 'lichte beelden' staan aan de hemel; de Dierenriem staat in zijn hoogste stand. In december (zon in de Schutter) gebeurt dit op het middernachtelijke uur; in maart (zon in de Vissen) bij zonsondergang; in juni (zon in de Tweelingen) op het midden van de dag; in september (zon in de Maagd) bij zonsopkomst.
  • Achter de leerlingen staan ook nog Dierenriembeelden. De Weegschaal, de Schorpioen, de Schutter, de Steenbok en de Waterman zijn onder de horizon en moeten nog opkomen; ze zijn op dit moment onzichtbaar. De tekeningen van deze beelden zijn niet te zien.
  • De hemel komt in beweging en loopt door tot de Tweelingen ondergaan. De Dierenriembeelden Vissen, Ram en Stier verdwijnen na elkaar achter de westelijke horizon. (Voor de overzichtelijkheid gaat elk beeld precies in het westpunt onder.) De tegenoverstaande beelden Maagd, Weegschaal en Schorpioen komen in deze tijd op aan de oostelijke hemel (in het oostpunt). Als de Tweelingen ondergaan, is de Schutter aan het opkomen. De Maagd heeft al die uren geklommen en staat in het zuiden op haar hoogste punt.
  • Het is vandaag bijv. 12 januari. De zon staat nog in de Schutter (zie tabel 6-1). Zo'n twee uur voor de zon opkomt, beginnen de sterren te verbleken. De beelden bewegen bij het opkomen van de zon door; ze blijven aanwezig, worden echter onzichtbaar. We herhalen de loopoefening; de sterrenbeelden die aan de hemel staan, moeten kort voordat de Schutter opkomt hun tekening omdraaien.
  • Een leerling wordt tot zon en gaat voor de Schutter staan. Hij komt met de Schutter op, is als enige zichtbaar en gaat gelijk met de Schutter onder. (Voor de overzichtelijkheid gaat de zon ook op 12 januari in het westpunt onder.) De Dierenriembeelden die bij zonsondergang boven de horizon staan, worden bij het donker worden van de hemel zichtbaar. We bekijken welke Dierenriembeelden vanavond na zonsondergang aan de hemel zullen verschijnen. Dit doen we ook voor twee uur na zonsondergang, voor het middernachtelijke uur en voor de ochtendhemel, kort voor zonsopkomst. We herhalen het enige keren.
  • De vragen die de kinderen in hun schrift gaan uitwerken, sluiten aan bij het gelopene. Bij het bespreken van bijv. de vraag over het opkomen van de Schutter krijgt de Schutter of de zon het woord.
  • Welk Dierenriembeeld staat vanavond tijdens de schemering het meest westelijk aan de hemel? (Steenbok) En welk beeld komt er op dat moment op? (Tweelingen)
  • De leerkracht tekent op het bord een horizon, bijv. zoals op de draaibare sterrenkaart van Schultz: een gebogen lijn van oost naar west; de waarnemer staat precies tussen oost en west en kijkt naar het zuiden. De grond waarop de waarnemer (de leerling) staat, wordt donker ingekleurd.
  • Welke Dierenriembeelden staan er vandaag na zonsondergang aan de hemel en waar staan ze? De leerlingen noteren van west naar oost op de goede plaats: Steenbok, Waterman, Vissen (in het zuiden; het hoogst boven de horizon), Ram, Stier en de Tweelingen.
  • Ditzelfde doen we voor twee uur na zonsondergang, voor het midden van de nacht en voor het ochtendgloren.
  • De volgende dag worden de oefeningen herhaald en wordt er voor de volgende maand dezelfde reeks loopoefeningen verricht: In februari zal er na zonsondergang een nieuw beeld, de Kreeft, in het oosten staan en is in het westen het tegenoverstaande beeld, de Steenbok, verdwenen. Op het middernachtelijke uur staan de Tweelingen niet meer zo hoog in de zuiden, ze zijn aan het dalen en staan 'een plaats' verder. De Kreeft culmineert op het middernachtelijke uur en zal pas tegen zonsopkomst ondergaan. Alle beelden zijn na een maand een plaats opgeschoven op hun hemelboog van oost naar west.
  • De leerlingen werken in hun schrift weer dezelfde vragen uit; maar nu voor de maand februari.
  • De volgende dag vergelijken we de bewegingen van de sterren en de zon in januari en februari. De sterren gaan altijd vooruit: zowel in de loop van de nacht als in de loop van de jaar gaan ze voorwaarts van oost naar west. De leerlingen beseffen dat de sterren sneller zijn dan de zon. De zon houdt zich voortdurend iets in ten opzichte van de sterren van de Dierenriem. De zon beweegt langzamer dan de sterren van oost naar west en gaat door deze ingehouden beweging van de Schutter naar de Steenbok, het beeld dat later opkomt en ondergaat.
  • De daaropvolgende dag herhalen we weer en gaan we opnieuw een maand verder vooruit. Tevens bekijken we de hemel 'een half jaar later' en 'volgend jaar januari'.
  • Als schriftelijke opdracht is er bovendien de vraag hoe op je verjaardag de sterrenhemel eruit ziet na zonsondergang, op het midden van de nacht en voor zonsopkomst. En hoe is dit een half jaar later?

De verschillende hemelbogen van de Dierenriembeelden

Wanneer de leerlingen de oost-west beweging goed onder de knie hebben, kan de blik verfijnd worden:
  • Van de Dierenriembeelden komen alleen de Vissen en de Maagd precies in het oosten op.
  • De Tweelingen maken van alle Dierenriembeelden de langste en de meest noordelijke hemelbaan; de Tweelingen culmineren het hoogst. Zij zijn elk etmaal 17 uur aan de hemel (NO-NW). Ook de Ram, de Stier, de Kreeft en de Leeuw komen ten noorden van het oostpunt op en gaan pas na meer dan twaalf uur onder (W-WNW). De zon doorloopt de Ram, de Stier, de Tweelingen, de Kreeft en de Leeuw in de lichte tijd van het jaar. We noemen deze vijf Dierenriembeelden de 'lichte beelden'. In de donkere maanden zijn ze veel uren goed zichtbaar. Castor en Pollux, de opvallende sterren uit 'het lichtste beeld', fonkelen in december en januari op het middernachtelijke uur hoog aan de zuidelijke hemel.
  • De Schutter maakt van alle Dierenriembeelden de kleinste en de meest zuidelijke hemelbaan. De Schutter is elk etmaal slechts zeven uur boven de horizon (ZO-ZW). Ook de Weegschaal, de Schorpioen, de Steenbok en de Waterman komen ten zuiden van het oostpunt op, maken lage hemelbanen en verdwijnen al na minder dan twaalf uur uit het zicht (WZW-W). De zon doorloopt deze beelden in de donkere tijd van het jaar. We noemen deze vijf Dierenriembeelden de 'donkere beelden'. Ze staan in de lichte maanden aan de grijzige hemel en kunnen relatief weinig uren laag aan de zuidelijke hemel gevonden worden.

De vier belangrijkste standen van de Dierenriem

De Dierenriem doorloopt in (bijna) een etmaal steeds andere standen. Hij daalt van zijn hoogste stand (de Tweelingen culmineren) via zijn meest westelijke (de Tweelingen gaan onder in het noordwesten) naar de laagste stand (de Schutter culmineert). Vervolgens stijgt hij via de meest oostelijke stand (de Tweelingen komen op in het noordoosten) naar de hoogste stand.
Bij het bespreken van de fenomenen kan de aandacht gericht worden op het verschil in de stand van de Dierenriem in het begin en het einde van de nacht. Voor de snelle leerlingen zijn de verschuivingen van de stand van de Dierenriem een boeiend onderwerp.
 

De kleuren voor de Dierenriemtekens/beelden

Er bestaan verschillende kleurrijke Dierenriemkaarten. De kleurindelingen die de twaalf verschillende zonnekwaliteiten in het jaarverloop tot uitdrukking brengen, zoals de twaalfkleurencirkel van Rudolf Steiner, hebben veel te bieden (zie tabel 6-1).
Steiner ontwikkelde uit de zesdelige kleurencirkel van Goethe (rood, geel, groen, blauw, violet en purper) een twaalfdelige: Rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet zijn de bekende zeven kleuren van het zonnespectrum. Perzikbloesem (purper), twee nuances tussen perzikbloesem en violet en twee nuances tussen perzikbloesem en rood. Dit zijn de vijf purperkleuren.
Voor de euritmische vertolking van de twaalf stemmingen van de Dierenriem maakte hij de kleurindeling Ram-rood, Stier-oranje, Tweelingen-geel, enz. De Steenbok, die tegenover de Kreeft (groen) staat, kreeg het tere perzikbloesem. De Schorpioen (blauwig lila) en de Schutter (roodachtig lila) kregen de kleurovergangen tussen het perzikbloesem en het violet; de Waterman (roze) en de Vissen (teer rood) hebben de kleuren die liggen tussen het perzikbloesem en het rood.
Een bordtekening van de gekleurde Dierenriem met de mens in het midden is voor de leerlingen een houvast bij het werken met de Dierenriem. De Tweelingen (geel) staan bovenaan, de Schutter (roodachtig lila) staat onderaan, de Vissen (teer rood) rechts en de Maagd (indigo) links. Door deze kleurindeling krijgt de Dierenriemkaart zeggingskracht: De zon doorloopt in de lichte tijd van het jaar de beelden met een heldere, duidelijk onderscheidbare kleur (rood, oranje, geel, groen, blauw). De zon doorloopt in de donkere tijd van het jaar de beelden met een 'geheimzinnige', moeilijk te onderscheiden kleur (de purperkleuren).
  • De zon doorloopt in de uitwikkelende tijd van het jaar de 'roodgetinte beelden' Steenbok, Waterman, Vissen, Ram en Stier.
  • In de inwikkelende tijd van het jaar doorloopt de zon de 'blauwige' beelden Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal, Schorpioen en Schutter.

De twaalf Dierenriembeelden

Tabel NOG MAKEN
Ongeveer 29 dagen na het begin van de lente (0°) komt de zon in het Dierenriembeeld Ram. Hij doorloopt in 24 dagen het kleine beeld Ram en komt ongeveer 53 dagen na het begin van de lente in de Stier enz.
 

De twaalf Dierenriemtekens

De indeling van de Dierenriem in twaalf (bijna) even grote tekens stamt uit de Griekse tijd. De grenzen van de tekens werden bepaald door te kijken naar de seizoenen. Op de eerste lentedag kwam de zon in het teken Ram, op de eerste zomerdag in het teken Kreeft enz. De duur van de seizoenen is echter niet constant, maar verschuift door de eeuwen heen. Vanaf 1246 na Chr. is de winter het kortste seizoen, de zon is in de winter het dichtst bij de aarde. Na 6430 is de zon in de lente het dichtst bij de aarde en zal de lente het kortste seizoen zijn.
Deze eeuw begint de lente meestal niet meer op 21 maart, maar op 20 maart. De zon komt op 20 maart in de Ram. Er zijn kleine jaarlijkse schommelingen van een dag, die samenhangen met het feit dat het jaar niet precies 365 dagen duurt, maar bijna een kwart dag langer. De zon doorloopt de twaalf zonnetekens ongeveer als volgt.

De Ram - het zonneteken van 20 maart tot 18 april
De Stier - het zonneteken van 19 april tot 19 mei
De Tweelingen - het zonneteken van 20 mei tot 20 juni
De Kreeft - het zonneteken van 21 juni tot 21 juli
De Leeuw - het zonneteken van 22 juli tot 21 augustus
De Maagd - het zonneteken van 22 augustus tot 21 september
De Weegschaal - het zonneteken van 22 september tot 22 oktober
De Schorpioen - het zonneteken van 23 oktober tot 21 november
De Schutter - het zonneteken van 22 november tot 20 december
De Steenbok - het zonneteken van 21 december tot 19 januari
De Waterman - het zonneteken van 20 januari tot 18 februari
De Vissen - het zonneteken van 19 februari tot 19 maart
 

Het Dierenriembeeld en 'je Dierenriemteken'

Op de dag van de geboorte is het sterrenbeeld waarin de zon staat natuurlijk niet te zien. Ook op je verjaardag is dat sterrenbeeld niet te zien. Dit Dierenriembeeld maakt overdag zijn hemelboog en is 's nachts samen met de zon onder de horizon. Een half jaar na je verjaardag, heeft het sterrenbeeld zijn beste zichtbaarheid, zijn gloriemaand. Er kan in de klas een probleem opduiken: de leerling die bijv. op 6 januari zijn verjaardag heeft, zegt dat hij niet een Schutter is, maar een Steenbok. Hiermee wordt bedoeld dat het Dierenriemteken waarin de zon bij de geboorte stond, Steenbok is. "Ik ben Steenbok" betekent dat het zonneteken Steenbok is. Tegenwoordig heeft het zonneteken meestal niet dezelfde naam als het sterrenbeeld waarin de zon stond bij de geboorte (en op de verjaardag). De zon staat elk jaar op de verjaardag van deze leerling tussen de sterren van het Dierenriembeeld Schutter. In de astrologie kijkt men meestal naar de indeling van de zonneweg in twaalf tekens en zegt men dat op 6 januari de zon zich bevindt in het Dierenriemteken Steenbok (vergelijk Schultz, hoofdstuk V, IX, blz. 201, 202 en Kaart I). In een zevende klas kunnen de verschillen tussen een Dierenriem-teken en een Dierenriem-beeld alleen op vereenvoudigde wijze worden toegelicht:
  • We zien aan de hemel de sterren van de Dierenriembeelden, het ene beeld is groter dan het andere.
  • De indeling van de jaarlijkse zonnebaan door de Dierenriem in twaalf even grote Dierenriemtekens is meer dan 2.000 jaar oud. In die tijd stond de zon op 6 januari wél zowel in het sterrenbeeld Steenbok als in het teken Steenbok. De 'vaste sterren' blijken in de loop van honderden, duizenden jaren van hemelboog te veranderen. Ze doorlopen ook zo'n uit- en inwikkelende gang als de zon, maar dan veel trager, onopmerkzaam langzaam (voor een cyclus hebben ze bijna 26.000 jaar nodig; zie deel II). De Steenbok doorliep 2.000 jaar terug zulke lage hemelbogen als de zon in de eerste maand nadat hij zijn laagste hemelbogen had doorlopen (22 december - 20 januari); hij maakte toen elk etmaal ongeveer dezelfde hemelboog als de Schutter tegenwoordig. De Steenbok had ongeveer 2.000 jaar nodig om zich zoveel uit te wikkelen als de zon doet in een maand. De zon staat gedurende ons hele leven elk jaar van ongeveer 20 januari tot 15 februari tussen de sterren van de Steenbok.
In de astrologie wordt (meestal) niet gerekend met de plaats van de zon tussen de sterren van het Dierenriembeeld, maar met zijn plaats in het Dierenriemteken. De indeling van toen wordt ook nu nog gebruikt. Toen stond de zon op 6 januari in het Dierenriembeeld/teken Steenbok. De mensen die op 6 januari geboren worden, hebben als zonneteken de Steenbok.

Aansluitende thema's als het verschuiven van het lentepunt, het Platonisch wereldjaar en de opeenvolgende cultuurperiodes kunnen genoemd worden, maar zijn geen onderwerpen om met zevende klassers aan te werken.

Als we geen nadruk leggen op de grenzen van de beelden en de tekens, maar de plaats van de zon in de Dierenriem slechts globaal aanduiden (in maart staat de zon in de Vissen, in juni in de Tweelingen, in september in de Maagd enz.), ontstaan er waarschijnlijk geen vragen naar het verschil tussen 'de astronomische beelden' en 'de astrologische tekens'.

Vaak klinkt als bezwaar tegen de astrologie dat de astrologen niet kijken naar de werkelijke plaats van de planeten tussen de sterren van de Dierenriembeelden, maar naar een verouderd schema. Toch heeft het astrologische schema een zin: de twaalf tekens zijn op te vatten als de twaalf verschillende tekens van de dynamiek van de zon in het jaarverloop (zie de geschiedkundige beschouwing).

Sommige klassen hebben geen belangstelling voor de astrologie; in andere klassen verzamelen kinderen uit eigen initiatief alle voorspellingen over hun Dierenriemteken. Hoe bespreken we met deze leerlingen zo'n overgeleverde traditie die niet meer aan de tijd is? Het horoscoop zegt hoogstens iets over het instrumentarium, de meegekregen vaardigheden, maar niet wat je er zelf mee doet. Hoe kijken bijv. de leerlingen 'die een Steenbok zijn' naar de verschillende voorspellingen over de Steenbok in de tijdschriften? En wat vinden degenen die in een andere maand van het zonnejaar geboren zijn: zouden zij het voorspelde ook kunnen meemaken? En wat kun je zelf doen opdat het voorspelde gaan plaats vinden?

 

De grenzen tussen de Dierenriembeelden

De officiële grenzen tussen de Dierenriembeelden zijn gebaseerd op een afspraak van de Internationale Astronomische Unie (I.A.U.) uit 1928. Met noord-zuid en oost-west lopende lijnen werd de hemel in 88 gebieden verdeeld. Bij deze ruimtelijke indeling ging de I.A.U. uit van de 48 Ptolemaeïsche sterrenbeelden (de beelden waarvan de namen een mythologische oorsprong hebben) en van de zogenaamde moderne beelden (de beelden die in de 17e en 18e eeuw zijn ontworpen). De grenzen liggen meestal in de lege gebieden tussen de sterren van het ene beeld en die van het andere.

De grenzen zijn dus geen 'kosmisch gegeven'. Het heeft meer zin te spreken over de week waarin de zon in het volgende Dierenriembeeld komt, dan over de dag.

De sterrenbeelden zijn geen "natuurlijk fenomeen" zoals de planeten. Zie de geschiedkundige beschouwing over het ontstaan van de namen en de gestalten van de sterrenbeelden.