Het herkennen van de sterrenbeelden aan de hemel.Veel kinderen willen graag de opvallende sterren en sterrenbeelden kunnen herkennen. Na een heldere nacht kunnen 's ochtends sommige leerlingen stralend van geluk de klas binnenkomen. Ze hebben de Stier of de Leeuw gezien... Hoe bereid je je voor op dit deel van de periode sterrenkunde? Begin ruime tijd voor de periode regelmatig 's avonds steeds vanaf dezelfde plek de helderste sterren en de opvallende groepen van sterren gade te slaan. Op een heldere avond kijk je bijv. om het uur naar de hemel. Je krijgt in de loop van de nacht te zien hoe bepaalde groepen van sterren opkomen boven de oostelijke horizon en richting zuid stijgen, terwijl andere dalen en aan de westelijke hemel in de heiïge lucht uit het zicht verdwijnen. Wanneer het lukt om bovendien 's ochtends voor zonsopkomst te kijken, de hemel ziet er dan zo anders uit, is de gang van de sterren je weldra vertrouwd en krijg je ook een oog voor de wijze waarop de beelden van stand veranderen. Zoek in je omgeving een plek met een wijds zicht. Neem de tijd zelf te ontdekken welke sterren behoren tot de helderste en vraag je af of je duidelijke groepen van sterren kunt onderscheiden. Pas hierna heeft het zin sterrenkaarten te gebruiken. Begin met de opvallendste sterren en sterrenbeelden. Ze zijn het gemakkelijkst te onthouden en ze zullen dienen als oriëntatiepunten voor de minder opvallende beelden. Een beginnende waarnemer moet eerst nog zijn blik scholen voor de lichtkwaliteiten van de afzonderlijke sterren en moet vertrouwd raken met de omvang van het beeld. De sterrenbeelden zijn aan de hemel véél en veel groter dan we ons hadden voorgesteld naar aanleiding van een afbeelding. De meeste beelden zijn al zo groot dat je voor het kijken van de ene naar de andere ster je ogen moeten bewegen. Bij een paar beelden moet ook het hoofd bewegen. In de schemeringstijd verschijnen alleen de helderste sterren van het beeld. Alleen op donkere, maanloze nachten zijn de sterrenbeelden in volle glorie te zien: een unieke compositie van heldere en zwakkere sterren. Ervaren waarnemers herkennen een ster aan haar lichtintensiteit, haar kleur (meer oranje-roodachtig of meer blauwachtig), de plaats boven de horizon op een bepaald moment en de onderlinge verhoudingen tot de sterren van het eigen beeld en de naburige beelden. Beginnende waarnemers hebben vaak problemen met het terugvinden van een sterrenbeeld.
Het beeld blijkt later in de nacht een andere stand boven de horizon te
hebben dan je eerst had gezien. Zo hebben bijv. de Tweelingen bij hun opkomen aan de noordoostelijke hemel een liggende stand; Castor ligt 'boven' Pollux. Bij hun ondergaan aan de noordwestelijke hemel, verdwijnen hun voeten en lichamen gelijktijdig uit onze blik. De hoofden van de Tweelingen, de heldere Castor en Pollux, kunnen nog uren 'naast elkaar' te zien zijn, terwijl de benen en de bovenlichamen verdwenen zijn. Een beeld hoog aan de hemel blijkt afhankelijk van de richting waarin je zelf staat er steeds anders uit te zien. Probeer eens je om te draaien, terwijl je blijft kijken naar bijv. Cassiopeia of een ander beeld dat hoog aan de hemel staat. Draaibare sterrenkaarten zijn in het begin erg lastig in gebruik: let goed op de aangegeven windstreken. Wanneer je een bepaalde groep heldere sterren niet kunt vinden, kijk dan of je de kaart wel in de goede stand houdt. Kijk je bijv. naar de oostelijke hemel dan moet je de kaart precies andersom houden dan wanneer je naar de dalende sterrenbeelden boven de westelijke horizon kijkt. De draaibare sterrenkaart 'de Zodiak' van Joachim Schultz (helaas ook antiquarisch; er wordt aan een nieuwe uitgave gewerkt) is eigenlijk de enige schijf waarbij de vertekeningen te verwaarlozen zijn. Zijn draaikaart is zo praktisch, omdat deze twee zijden heeft. De ene schijf toont de hemel boven de zuidelijke horizon; de andere kant laat zien welke sterrenbeelden aan de noordelijke hemel staan. De sterrenbeelden staan groter afgebeeld dan op een kaart die de hele hemel weergeeft; elk beeld staat minstens een keer in de goede proporties afgebeeld. Schultz heeft bovendien bij de sterrenbeelden van de Dierenriem de mythologische gestaltes getekend. De stand van de Dierenriem springt hierdoor direct in het oog. Dit maakt zijn schijf bij het draaien zo spannend! Allerlei gebeurtenissen laten zich aflezen: laat de leerlingen bijv. bekijken hoe de Dierenriembeelden opkomen en ondergaan. Sterrenkaarten en draaibare schijven laten verschillende fenomenen echter niet zien. Zo ziet de opkomende Leeuw aan de oostelijke hemel er veel groter, indrukwekkender uit dan de Leeuw die hoog in het zuiden staat. Als je als leerkracht de heldere sterren goed kent, kan de vraag "Hoe heet die ster die vanuit mijn slaapkamer te zien was?" klassikaal besproken worden. (In welke richting stond die heldere ster? Hoe laat keek je? Stonden er andere opvallende sterren in de buurt?) En als je met de hele klas naar de sterrenhemel kijkt, kun je zelfs bij lichte bewolking de helderste sterren benoemen. Zoiets is voor de leerlingen te veel gevraagd. Zij willen de beelden, 'hun eigen sterrenbeeld', aan de hemel leren zien.
Keuze van de sterrenkaartenOm thuis te raken aan de hemel moet je, als modern mens, leren een sterrenkaart te lezen. Bij het vergelijken van sterrenkaarten blijkt dat de beelden op veel verschillende manieren zijn getekend. Zowel de keuze van de sterren als de wijze waarop de verbindende lijnen zijn ingetekend verschillen. Het gebied aan de hemel is wel steeds hetzelfde; op alle kaarten staat bijv. de Grote Beer 'aan de andere kant' van de Poolster dan Cassiopeia. Gebruik alleen kaarten die door vakmensen zijn gemaakt. Ook al is het periodeschrift van je voorganger zo mooi, het kan goed zijn dat zijn sterrenkaarten bij het waarnemen niet bruikbaar zijn.
Bij het kiezen van de sterrenkaarten controleren we of: Op veel draaibare sterrenkaarten en overzichtskaarten zijn de sterrenbeelden zo klein afgedrukt dat de verschillen in de 'grootte' van de sterren niet meer opvallen. Bovendien zijn de sterrenbeelden aan de buitenste rand meestal sterk in de breedte (of in de lengte) uitgerekt. Gebruik zulke vertekende afbeeldingen dus niet als het origineel voor bordtekeningen. Ook 'juiste' kaarten zijn vaak niet geschikt voor de zevende klas. Beoordeel of
De Stichting Een Klaar Zicht geeft de twaalf Dierenriemgestaltes op A4-formaat,
stevig karton uit. De "gouden versie"
is op grotere afstanden goed zichtbaar. De sterrenbeelden van Werner Perrey zijn zeer geschikt, wanneer het gaat om de
Griekse mythologische gestaltes. Helaas hebben de ingetekende sterren soms niet
de goede plek of helderheid. Gebruik voor de goede positie van de sterren geen overzichtskaarten, zoals een draaibare schijf of horizonskaarten, maar afzonderlijke hemelkaarten die bijv. door de vakman Wil Tirion zijn getekend (bijv. de kaarten van de Dierenriembeelden)
Methodisch-didactische opmerkingenDe maanden januari en februari zijn het meest geschikt voor de periode. 's Avonds staan de mooiste beelden aan de hemel en tot het begin van de zomertijd eind maart (Midden Europese ZomerTijd, MEZT) kunnen de leerlingen aan de helderste sterren ervaringen opdoen met de dagelijkse en jaarlijkse omgang. Dan begint de lente; de voorjaarszon en het nieuwe leven doen het eeuwige gefonkel aan de hemel verbleken. De herinneringen duiken onder; de indrukwekkende ervaringen aan het nachtelijke geflonker zullen in de ziel voortleven. Voor veel kinderen is de gemeenschappelijke nacht-excursie een gebeuren waar ze zich al lang van te voren op verheugen. Kies hiervoor een avond met weinig of geen storend maanlicht, zoals het geval is in de week voor of na nieuwe maan. Het is voor de leerlingen spannender om de hele avond en 's ochtends vroeg om het uur korte tijd naar dezelfde donkere plaats te gaan en zodoende zelf ontdekken hoezeer de planeten en 'hun beelden' van plaats veranderen dan dat ze in een kort bestek alle zichtbare sterrenbeelden besproken krijgen. Wees ook in de periode terughoudend met het aantal beelden. Sommige leerlingen kost het immers veel moeite om zich ruimtelijk te oriënteren. Introduceer bijv. niet meer dan twee beelden per dag en niet meer dan vijf in de week. Het exact natekenen van een sterrenbeeld blijkt een goede voorbereiding te zijn voor het 's avonds thuis zelf vinden van de groep sterren. Wanneer de verschillen in helderheid van de sterren én de onderlinge afstandsverhoudingen zorgvuldig zijn nagetekend, kan bij het kijken naar de nachtelijke hemel opeens enthousiast klinken: "Ik zie de Tweelingen!"
Onderstaande tekst dient als voorbeeld voor het bespreken van de sterrenbeelden. Ook als het weer langere tijd bewolkt blijft, kunnen de leerlingen in de klas sterrenbeelden tekenen. Vertel welke indruk het beeld op je heeft gemaakt en wees
wanneer de leerlingen de sterren niet zelf kunnen waarnemen zeer terughoudend met feiten (plaats, tijd).
Gedurende een week verschijnen 's avonds op ongeveer dezelfde tijd dezelfde
sterren aan de hemel. Probeer in een heldere periode elke ochtend opnieuw de
opvallende sterrenbeelden op een steeds andere wijze te bespreken. Wees dan heel
exact: hoe laat keek Marieke naar die heldere ster boven de boom? In welke
richting stond deze? Tot welk sterrenbeeld behoort die ster? Waren er van dit
beeld meer sterren te zien? Eerste dagWe bespreken de Wagen (de opvallendste groep sterren van de Grote Beer) en de Poolster. Bij de middelste van de drie disselsterren (Mizar) staat een kleine ster (Alcor). Deze heten paard en ruiter. (Voor de Indianen diende Alcor als ogentest.) We verlengen het achterschot van de Wagen vijf keer en zien een ster, die ongeveer even helder is. Precies onder deze ster, de Poolster, is het noorden. We gaan na waar op het schoolplein en in het klaslokaal ongeveer het noorden is. (Waar staat de zon omstreeks het midden van de dag?) De hoogte van de Poolster boven de noordelijke horizon op de verschillende noorderbreedtes wordt toegelicht (zie het kwadrant). Wat konden de ontdekkingsreizigers aan de nachtelijke hemel aflezen? De leerlingen proberen 's avonds de Wagen en en de Poolster te vinden. De opdracht is via de Wagen, de Steelpan in de Grote Beer, de Poolster te vinden. Vervolgens probeert ieder thuis aan de nachtelijke hemel te bepalen in welke richting het oosten, het zuiden en het westen is. (Herinner: Waar komt thuis de zon op, waar staat die op zijn hoogst en waar gaat die onder?). Ze gaan meerdere keren naar buiten, bijv. om het uur tot het bedtijd is én 's ochtends vroeg.
Tweede dag
De volgende ochtend staan ook Cassiopeia en de Kleine Beer op het schoolbord. De Poolster markeert het einde van de dissel van de Kleine Beer (Kleine Wagen). Cassiopeia staat aan de andere kant van de Poolster als het paard met de ruiter. De nieuwe beelden staan op de juiste plaats en in de goede stand ten opzichte van de Wagen.
We bespreken de dagelijkse beweging. Alle sterren cirkelen om de Poolster. Elke ster doorloopt elke dag precies dezelfde hemelboog, mijn hele leven lang! (Alleen voor de leraar:
pas na 72 jaar doorloopt elke ster een iets hogere of lagere hemelboog. Pas na
duizend jaar zijn er duidelijk waarneembare verschillen.). Een ster staat al na 23 uur en 56 minuten weer op dezelfde plaats,
bijv. op het hoogste punt van zijn hemelboog in het zuiden.
Derde dag
We kiezen een opvallend op-en-ondergaand sterrenbeeld met naburige hemellichten die ook gemakkelijk herkenbaar zijn. Het sterrenbeeld behoort niet tot de Dierenriembeelden; die komen later in de periode uitvoerig aan bod. De kinderen hebben er veel meer aan dat ze elke avond opnieuw dezelfde beelden bekijken, waaraan ze steeds meer gaan zien, dan dat in de periode alle zichtbare sterrenbeelden aan bod komen. Wél is voor hen wetenswaardig op sterrenkaarten de namen van de sterrenbeelden op te zoeken en te kijken welke beelden bij elkaar staan.
We moeten er rekening mee houden dat de sterrenhemel wekenlang bedekt kan zijn.
Bij aanhoudend bewolkt weer beperken we het aantal sterrenbeelden waarvan we de lichtcompositie en de helderheid van de sterren zo natuurgetrouw mogelijk natekenen.
Wanneer de periode in januari of februari plaatsvindt en het weer valt mee, tekenen we in de tweede week de sterren van
de Stier en de Tweelingen. Deze Dierenriembeelden hebben duidelijke herkenningspunten. Als de leerlingen 's ochtends vroeg al goed wakker zijn, kunnen ook de Leeuw, met de blauwige Regulus in de borst, en de Maagd, met de blauwige Spica in de are, getekend worden. Deze beelden zijn vooral aardig om te bespreken, als de klas een hele nacht bij elkaar zal blijven en meerdere keren buiten gaat kijken. Het opkomen van de Leeuw ziet er indrukwekkend uit. Hij verschijnt in januari pas laat op de avond boven de oostnoordoostelijke horizon. Bij het dalen laat hij een heel andere indruk achter dan bij zijn opkomst. Het verschijnen van de Maagd aan de (zuid)oostelijke hemel laat relatief lang op zich wachten. Alvorens Spica zichtbaar wordt, is de oranjekleurige Arcturus noordelijker aan de oostelijke hemel verschenen (ONO). De heldere Arcturus staat in het sterrenbeeld Ossenhoeder, bij de disselsterren van de Wagen. Regulus, Spica en Arcturus sieren in de lente en in het begin van de zomer de avondhemel.
Zes heldere sterren die in de winter aan de avondhemel opvallen, vormen een grootse zeshoek, de
Winterzeshoek. Deze sterren worden in de avondschemering als eerste zichtbaar. Als de circumpolaire ster
Capella (in de Voerman) hoog boven ons oplicht, staan de zes sterren aan de zuidelijke hemel. De ster die het zuidelijkst is opgekomen, Sirius, staat het laagst.
Sirius beschrijft ongeveer dezelfde hemelbaan als de zon begin november of eind januari.
In de wintermaanden staat bij het donker worden van de hemel alleen het noordoostelijke deel van de Winterzeshoek boven de horizon. In de loop van de avond worden ook de andere sterren zichtbaar.
Hun volgorde van opkomst is: Aldebaran (Stier), Pollux (Tweelingen), Rigel (Orion), Procyon (Kleine Hond) en Sirius (Grote Hond.)
Bij het klassikaal les geven slaan we over: Namen van sterrenbeelden en sterren zoals Hercules, Orion, Castor en Pollux hebben een mythologische oorsprong. Er kan terloops eens worden teruggeblikt op de verhalen uit de Griekse mythologie in klas 5. Nu in klas 7 beoefenen de leerlingen zelf waar te nemen; door het ene met het andere lichtpunt te verbinden kunnen ze zelf beelden ontdekken. Bovenstaande benadering is gebaseerd op:
BordtekeningenBij het natekenen van sterrenbeelden komen de leraar en de leerlingen te staan voor meerdere specifieke problemen. Daarom onderstaande praktische aanwijzingen. Bij onderstaande nummers hoort een tekening. Deze heeft hetzelfde nummer als de tekst. (De tekeningen moeten nog geplaatst worden.)
1. Op een groot, bij voorkeur zwart schoolbord wordt met wit krijt een eerste schets gemaakt van het sterrenbeeld; hiervoor is geen lineaal nodig. De lijnen die de ruimtelijke verhoudingen tussen de sterren aangeven, komen onder de goede hoek op het bord te staan. Men begint dus met de lijnen!
Kies voor de stand van het sterrenbeeld bijv. die van vanavond om acht uur.
2. Als alle lijnen goed op het bord staan, teken je met wit krijt verschillend
grote sterren. De helderste sterren worden het grootst getekend. De naburige
lijnen worden verder ingekort. De helderste sterren hebben veel lege ruimte om zich heen nodig; anders kunnen ze niet oplichten.
3. Kleur met de vlakke kant van het (in stukken gebroken) krijtje (licht- en donkerblauw, paars) het gehele bord vol behalve de directe omgeving van de sterren; deze blijft zwart of is wittig. De witte lijnen hoeven niet zichtbaar te blijven. Eventueel wis je met de hand het bord onregelmatig/levendig blauw-paars (kwaliteit schoolbord en krijtjes zijn van belang voor een fraai gekleurde hemel). Het wit van de gedeeltelijk weggeveegde lijnen geeft aan het geheel juist een speels effect. Je kleurt het geheel nog wat bij. Voor de volgende stap moeten de handen schoon gewassen zijn.
4. Met een lineaal en donkerblauw krijt worden tussen de middelpunten van de sterren dunne en korte lijntjes geplaatst. Trek deze hulplijnen niet door tot het zwarte gebied om de ster. Een lijn die te dicht bij de ster komt, 'dooft zijn licht uit'.
Bij zo'n duidelijk beeld als de Wagen zijn er echter geen hulplijnen nodig. De leerlingen zien in de groep sterren direct een Wagen.
Tekeningen in het schriftOp een groot blauw vel of dun karton, dat later in het periodeschrift wordt ingeplakt, tekenen de leerlingen met een scherp en hard zwart potlood heel exact dunne lijnen en punten. Vertel de leerling vooraf dat ze vooral groot moeten werken, want alleen dan is de kaart 's avonds, in het donker, goed te gebruiken. De opdracht is de afstandsverhoudingen, de lijnen, heel precies weer te geven.
Waarschuw de leerlingen dat het blauwe papier door het gummen gauw lelijk wordt. Eerst werken ze
dus heel dun met een scherp, zwart potlood. Pas wanneer de leraar het geheel gecontroleerd heeft, mogen ze de gele sterren mooi laten oplichten. |