De sterrenbeelden

Het herkennen van de sterrenbeelden aan de hemel.

Veel kinderen willen graag de opvallende sterren en sterrenbeelden kunnen herkennen. Na een heldere nacht kunnen 's ochtends sommige leerlingen stralend van geluk de klas binnenkomen. Ze hebben de Stier of de Leeuw gezien...

Hoe bereid je je voor op dit deel van de periode sterrenkunde? Begin ruime tijd voor de periode regelmatig 's avonds steeds vanaf dezelfde plek  de helderste sterren en de opvallende groepen van sterren gade te slaan. Op een heldere avond kijk je bijv. om het uur naar de hemel. Je krijgt in de loop van de nacht te zien hoe bepaalde groepen van sterren opkomen boven de oostelijke horizon en richting zuid stijgen, terwijl andere dalen en aan de westelijke hemel in de heiïge lucht uit het zicht verdwijnen. Wanneer het lukt om bovendien 's ochtends voor zonsopkomst te kijken, de hemel ziet er dan zo anders uit, is de gang van de sterren je weldra vertrouwd en krijg je ook een oog voor de wijze waarop de beelden van stand veranderen.

Zoek in je omgeving een plek met een wijds zicht. Neem de tijd zelf te ontdekken welke sterren behoren tot de helderste en vraag je af of je duidelijke groepen van sterren kunt onderscheiden. Pas hierna heeft het zin sterrenkaarten te gebruiken. Begin met de opvallendste sterren en sterrenbeelden. Ze zijn het gemakkelijkst te onthouden en ze zullen dienen als oriëntatiepunten voor de minder opvallende beelden. Een beginnende waarnemer moet eerst nog zijn blik scholen voor de lichtkwaliteiten van de afzonderlijke sterren en moet vertrouwd raken met de omvang van het beeld. De sterrenbeelden zijn aan de hemel véél en veel groter dan we ons hadden voorgesteld naar aanleiding van een afbeelding. De meeste beelden zijn al zo groot dat je voor het kijken van de ene naar de andere ster je ogen moeten bewegen. Bij een paar beelden moet ook het hoofd bewegen.

In de schemeringstijd verschijnen alleen de helderste sterren van het beeld. Alleen op donkere, maanloze nachten zijn de sterrenbeelden in volle glorie te zien: een unieke compositie van heldere en zwakkere sterren. Ervaren waarnemers herkennen een ster aan haar lichtintensiteit, haar kleur (meer oranje-roodachtig of meer blauwachtig), de plaats boven de horizon op een bepaald moment en de onderlinge verhoudingen tot de sterren van het eigen beeld en de naburige beelden.

Beginnende waarnemers hebben vaak problemen met het terugvinden van een sterrenbeeld. Het beeld blijkt later in de nacht een andere stand boven de horizon te hebben dan je eerst had gezien. Zo hebben bijv. de Tweelingen bij hun opkomen aan de noordoostelijke hemel een liggende stand; Castor ligt 'boven' Pollux. Bij hun ondergaan aan de noordwestelijke hemel, verdwijnen hun voeten en lichamen gelijktijdig uit onze blik. De hoofden van de Tweelingen, de heldere Castor en Pollux, kunnen nog uren 'naast elkaar' te zien zijn, terwijl de benen en de bovenlichamen verdwenen zijn.
De sterrenkaarten van de Sterren- en Planetenkalender hebben een vlakke horizon. Je ziet met een oopgopslag de stand van het sterrenbeeld ten opzichte van de horizon. Bij het doorbladeren zie je hoe de stand verandert bij het stijgen en het dalen.
Interessant is dat ervaren waarnemers achteraf vaak moeite hebben om zich de stand van het beeld te herinneren; het licht van de helderste sterren was hen opgevallen, daaraan hadden ze de beelden herkend.

Een beeld hoog aan de hemel blijkt afhankelijk van de richting waarin je zelf staat er steeds anders uit te zien. Probeer eens je om te draaien, terwijl je blijft kijken naar bijv. Cassiopeia of een ander beeld dat hoog aan de hemel staat.

Draaibare sterrenkaarten zijn in het begin erg lastig in gebruik: let goed op de aangegeven windstreken. Wanneer je een bepaalde groep heldere sterren niet kunt vinden, kijk dan of je de kaart wel in de goede stand houdt. Kijk je bijv. naar de oostelijke hemel dan moet je de kaart precies andersom houden dan wanneer je naar de dalende sterrenbeelden boven de westelijke horizon kijkt.

De draaibare sterrenkaart 'de Zodiak' van Joachim Schultz (helaas ook antiquarisch; er wordt aan een nieuwe uitgave gewerkt) is eigenlijk de enige schijf waarbij de vertekeningen te verwaarlozen zijn. Zijn draaikaart is zo praktisch, omdat deze twee zijden heeft. De ene schijf toont de hemel boven de zuidelijke horizon; de andere kant laat zien welke sterrenbeelden aan de noordelijke hemel staan. De sterrenbeelden staan groter afgebeeld dan op een kaart die de hele hemel weergeeft; elk beeld staat minstens een keer in de goede proporties afgebeeld. Schultz heeft bovendien bij de sterrenbeelden van de Dierenriem de mythologische gestaltes getekend. De stand van de Dierenriem springt hierdoor direct in het oog. Dit maakt zijn schijf bij het draaien zo spannend! Allerlei gebeurtenissen laten zich aflezen: laat de leerlingen bijv. bekijken hoe de Dierenriembeelden opkomen en ondergaan. Sterrenkaarten en draaibare schijven laten verschillende fenomenen echter niet zien. Zo ziet de opkomende Leeuw aan de oostelijke hemel er veel groter, indrukwekkender uit dan de Leeuw die hoog in het zuiden staat.

Als je als leerkracht de heldere sterren goed kent, kan de vraag "Hoe heet die ster die vanuit mijn slaapkamer te zien was?" klassikaal besproken worden. (In welke richting stond die heldere ster? Hoe laat keek je? Stonden er andere opvallende sterren in de buurt?) En als je met de hele klas naar de sterrenhemel kijkt, kun je zelfs bij lichte bewolking de helderste sterren benoemen. Zoiets is voor de leerlingen te veel gevraagd. Zij willen de beelden, 'hun eigen sterrenbeeld', aan de hemel leren zien.
 

Keuze van de sterrenkaarten

Om thuis te raken aan de hemel moet je, als modern mens, leren een sterrenkaart te lezen. Bij het vergelijken van sterrenkaarten blijkt dat de beelden op veel verschillende manieren zijn getekend. Zowel de keuze van de sterren als de wijze waarop de verbindende lijnen zijn ingetekend verschillen. Het gebied aan de hemel is wel steeds hetzelfde; op alle kaarten staat bijv. de Grote Beer 'aan de andere kant' van de Poolster dan Cassiopeia.

Gebruik alleen kaarten die door vakmensen zijn gemaakt. Ook al is het periodeschrift van je voorganger zo mooi, het kan goed zijn dat zijn sterrenkaarten bij het waarnemen niet bruikbaar zijn. Bij het kiezen van de sterrenkaarten controleren we of:
* De verschillen in helderheid duidelijk zijn aangegeven. Zoek naar grote kaarten of kaarten waarop weinig sterrenbeelden staan afgebeeld.
* De beelden niet vertekend zijn weergegeven.

Op veel draaibare sterrenkaarten en overzichtskaarten zijn de sterrenbeelden zo klein afgedrukt dat de verschillen in de 'grootte' van de sterren niet meer opvallen. Bovendien zijn de sterrenbeelden aan de buitenste rand meestal sterk in de breedte (of in de lengte) uitgerekt. Gebruik zulke vertekende afbeeldingen dus niet als het origineel voor bordtekeningen.

 Ook 'juiste' kaarten zijn vaak niet geschikt voor de zevende klas. Beoordeel of
* de figuren relatief gemakkelijk te onthouden zijn,
* de uitdrukking van het lijnenspel op de een of andere wijze te relateren is aan de naam van het sterrenbeeld. Bij sommige beelden is dat heel gemakkelijk (de Zwaan heeft heel grote vleugels, de Leeuw komt met zijn imponerende borst stoer op); bij andere beelden ligt dat meer verborgen (de Vissen zwemmen in verschillende richtingen; het andere water-beeld, de Waterman heeft ook slechts wazige 'waterige' sterren).

De Stichting Een Klaar Zicht geeft de twaalf  Dierenriemgestaltes op A4-formaat, stevig karton uit. De "gouden versie" is op grotere afstanden goed zichtbaar. De sterrenbeelden van Werner Perrey zijn zeer geschikt, wanneer het gaat om de Griekse mythologische gestaltes. Helaas hebben de ingetekende sterren soms niet de goede plek of helderheid. Gebruik voor de goede positie van de sterren geen overzichtskaarten, zoals een draaibare schijf of horizonskaarten, maar afzonderlijke hemelkaarten die bijv. door de vakman Wil Tirion zijn getekend (bijv. de kaarten van de Dierenriembeelden)
Voor de leerkracht zijn de mythologische afbeeldingen van Geoffrey Cornelius een goede aanvulling (wel een exacte afbeelding van de sterren). Zijn mythologische beelden zijn echter voor klassikaal onderwijs minder aantrekkelijk. De overzichtelijke sterrenbeelden die de Amerikaan H.A. Rey ontworpen heeft, zijn het meest gemakkelijk te onthouden. Je herkent met een oogopslag bijv. de Grote Beer. Tot voor kort waren zijn beelden antiquarisch te verkrijgen (bijv. zijn bestseller "The stars, a new way to see them" (1952); in het Nederlands "De sterren anders bekeken" (1976)).  Enkele astronomische computerprogramma's voor een breder publiek maken gebruik maken van zijn grafische ontwerp. Rey heeft bij het tekenen van de lijnen van een sterrenbeeld gezocht naar een vorm die past bij de naam. Vaak lijken zijn beelden op de traditionele gestalten, maar sommige beelden maken een heel andere indruk dan de klassieke. Een voorbeeld: zijn Grote Beer loopt achterwaarts.

 

Methodisch-didactische opmerkingen

De maanden januari en februari zijn het meest geschikt voor de periode. 's Avonds staan de mooiste beelden aan de hemel en tot het begin van de zomertijd eind maart (Midden Europese ZomerTijd, MEZT) kunnen de leerlingen aan de helderste sterren ervaringen opdoen met de dagelijkse en jaarlijkse omgang. Dan begint de lente; de voorjaarszon en het nieuwe leven doen het eeuwige gefonkel aan de hemel verbleken. De herinneringen duiken onder; de indrukwekkende ervaringen aan het nachtelijke geflonker zullen in de ziel voortleven.

Voor veel kinderen is de gemeenschappelijke nacht-excursie een gebeuren waar ze zich al lang van te voren op verheugen. Kies hiervoor een avond met weinig of geen storend maanlicht, zoals het geval is in de week voor of na nieuwe maan. Het is voor de leerlingen spannender om de hele avond en 's ochtends vroeg om het uur korte tijd naar dezelfde donkere plaats te gaan en zodoende zelf ontdekken hoezeer de planeten en 'hun beelden' van plaats veranderen dan dat ze in een kort bestek alle zichtbare sterrenbeelden besproken krijgen.

Wees ook in de periode terughoudend met het aantal beelden. Sommige leerlingen kost het immers veel moeite om zich ruimtelijk te oriënteren. Introduceer bijv. niet meer dan twee beelden per dag en niet meer dan vijf in de week. Het exact natekenen van een sterrenbeeld blijkt een goede voorbereiding te zijn voor het 's avonds thuis zelf vinden van de groep sterren. Wanneer de verschillen in helderheid van de sterren én de onderlinge afstandsverhoudingen zorgvuldig zijn nagetekend, kan bij het kijken naar de nachtelijke hemel opeens enthousiast klinken: "Ik zie de Tweelingen!"

 Onderstaande tekst dient als voorbeeld voor het bespreken van de sterrenbeelden. Ook als het weer langere tijd bewolkt blijft, kunnen de leerlingen in de klas sterrenbeelden tekenen. Vertel welke indruk het beeld op je heeft gemaakt en wees wanneer de leerlingen de sterren niet zelf kunnen waarnemen zeer terughoudend met feiten (plaats, tijd). Gedurende een week verschijnen 's avonds op ongeveer dezelfde tijd dezelfde sterren aan de hemel. Probeer in een heldere periode elke ochtend opnieuw de opvallende sterrenbeelden op een steeds andere wijze te bespreken. Wees dan heel exact: hoe laat keek Marieke naar die heldere ster boven de boom? In welke richting stond deze? Tot welk sterrenbeeld behoort die ster? Waren er van dit beeld meer sterren te zien?
 

Eerste dag

We bespreken de Wagen (de opvallendste groep sterren van de Grote Beer) en de Poolster. Bij de middelste van de drie disselsterren (Mizar) staat een kleine ster (Alcor). Deze heten paard en ruiter. (Voor de Indianen diende Alcor als ogentest.) We verlengen het achterschot van de Wagen vijf keer en zien een ster, die ongeveer even helder is. Precies onder deze ster, de Poolster, is het noorden. We gaan na waar op het schoolplein en in het klaslokaal ongeveer het noorden is. (Waar staat de zon omstreeks het midden van de dag?) De hoogte van de Poolster boven de noordelijke horizon op de verschillende noorderbreedtes wordt toegelicht (zie het kwadrant). Wat konden de ontdekkingsreizigers aan de nachtelijke hemel aflezen? De leerlingen proberen 's avonds de Wagen en en de Poolster te vinden. De opdracht is via de Wagen, de Steelpan in de Grote Beer, de Poolster te vinden. Vervolgens probeert ieder thuis aan de nachtelijke hemel te bepalen in welke richting het oosten, het zuiden en het westen is. (Herinner: Waar komt thuis de zon op, waar staat die op zijn hoogst en waar gaat die onder?). Ze gaan meerdere keren naar buiten, bijv. om het uur tot het bedtijd is én 's ochtends vroeg.

Tweede dag

De volgende ochtend staan ook Cassiopeia en de Kleine Beer op het schoolbord. De Poolster markeert het einde van de dissel van de Kleine Beer (Kleine Wagen). Cassiopeia staat aan de andere kant van de Poolster als het paard met de ruiter. De nieuwe beelden staan op de juiste plaats en in de goede stand ten opzichte van de Wagen. We bespreken de dagelijkse beweging. Alle sterren cirkelen om de Poolster. Elke ster doorloopt elke dag precies dezelfde hemelboog, mijn hele leven lang! (Alleen voor de leraar: pas na 72 jaar doorloopt elke ster een iets hogere of lagere hemelboog. Pas na duizend jaar  zijn er duidelijk waarneembare verschillen.). Een ster staat al na 23 uur en 56 minuten weer op dezelfde plaats, bijv. op het hoogste punt van zijn hemelboog in het zuiden.
We laten de verschillende standen van de beelden zien. De vijf heldere sterren van Cassiopeia hebben de vorm van een grote W, 3, M of E, afhankelijk van hun stand ten opzichte van de noordelijke horizon. De sterren van de Wagen en Cassiopeia zijn in Nederland elk moment van de nacht, het hele jaar door zichtbaar. Ze staan relatief dicht bij de Poolster en gaan in hun rondgang om de Poolster niet onder. Ze behoren tot de circumpolaire sterren. Een circumpolaire ster staat (gezien vanaf een bepaalde plaats op aarde) steeds boven de (noordelijke) horizon.
We bekijken de bewegingen van de Grote Beer, de Kleine Beer en Cassiopeia vanuit verschillende gebieden op het noordelijk halfrond. We relateren dit aan hun kennis over de seizoenen en het dag- en nachtverloop in de verschillende gebieden op aarde (klas 6, vakantie-ervaringen en ervaringen van kinderen die elders geleefd hebben).
* In de meer noordelijk gelegen landen stijgen en dalen de sterren onder een vlakkere hoek; er zijn daar meer circumpolaire sterren. Op de Noordpool zijn alle sterren die aan de hemel staan circumpolair. De sterren cirkelen evenwijdig aan de horizon; geen ster komt op of gaat onder.
* In de meer zuidelijk gelegen landen stijgen en dalen de sterren steiler. Op de Evenaar gaan alle sterren loodrecht op en onder; daar is geen enkele ster circumpolair. De leerlingen maken een tekening van de Wagen, de Poolster en Cassiopeia. De sterren komen in de goede afstandsverhoudingen te staan. Laat de leerlingen de beelden niet te klein tekenen, want dan zijn ze niet geschikt om 's nachts mee naar buiten te nemen. Maar het geheel moet nog wel op een vel papier passen.
De leerlingen proberen 's avonds te zien hoe de Wagen, de Kleine Beer en Cassiopeia bewegen. Bovendien staan ze vroeg op om te kijken naar de plaats en de stand van de beelden aan de ochtendhemel.

Derde dag

We kiezen een opvallend op-en-ondergaand sterrenbeeld met naburige hemellichten die ook gemakkelijk herkenbaar zijn. Het sterrenbeeld behoort niet tot de Dierenriembeelden; die komen later in de periode uitvoerig aan bod.
* Wanneer de periode in januari of februari plaats vindt, zijn het beeld Orion met de gordel, de rode Betelgeuze (schouder) en de blauwe Rigel (voet) en de zeer heldere, kleurrijk fonkelende Sirius in de Grote Hond een goede keuze.
* Bij een vroege periode in november of december kunnen bijv. de Zwaan en de Zomerdriehoek Deneb, Wega en Altair worden getekend. Deze drie opvallende sterren vormen een grote, rechthoekige driehoek. In de schemeringstijd worden ze - na de planeten - als eerste groep zichtbaar.
* Wanneer in de herfst een of meer heldere planeten in de Waterman of Vissen staan, kiezen we het Lege Vierkant van Pegasus, het zogenaamde Herfstvierkant, met de (bleke) Vissen en de Ram. Wanneer de omstandigheden goed zijn kunnen de beelden van de Perseusmythe besproken worden: de jonge held Perseus met de duivelsster Algol, Andromeda, die in een geketende houding ligt, haar ouders Cassiopeia en Cepheus, het gevleugelde paard Pegasus en de Walvis, die uit de diepte van de zee omhoog komt en na de strijd met Perseus daarin wegzakt.
We beginnen met de bespreking van de jaarlijkse beweging van de sterren. In de tweede week van de periode gaan we grondig werken aan de gang van de zon door de Dierenriem en kunnen dan de jaarlijkse beweging verder uitwerken (zie de Dierenriem). Door 's avonds regelmatig op een bepaald tijdstip, bijv. om acht  uur, naar de sterren te kijken, kunnen we merken dat de aanblik dezelfde lijkt als die van de vorige avond, maar dat er na een paar weken een verschuiving optreedt. Elke op-en-ondergaande ster staat de volgende maand 30° meer westwaarts op zijn hemelboog (per maand 1/12 cirkel). De sterren 'snellen' van oost naar west. Ze komen steeds vroeger op en gaan steeds vroeger onder (per maand twee uur). Elke ster komt een maand later twee uur vroeger op en gaat  twee uur vroeger onder.
De avondhemel ziet er 's winters heel anders uit dan in de zomer. De beelden die nu aan de ochtendhemel zichtbaar zijn, zullen over enkele maanden aan de avondhemel opkomen of bij zonsondergang al aan de hemel staan. De leerlingen proberen zowel 's avonds als 's ochtends naar de circumpolaire sterrenbeelden en enkele op-en-ondergaande beelden te kijken en vergelijken hun hemelbanen.
Probeer elke dag opnieuw dezelfde beelden op een iets uitvoeriger wijze te bespreken.
* We beginnen bijv. met Orion en zijn opvallende sterren: de gordel, de blauwachtige Rigel, de oranjeachtige Betelgeuze. "Hoe laat hebben we Orion gezien? Wie heeft gisterenavond Orion als eerste ontdekt? Waren deze sterren al zichtbaar aan de nog blauwe hemel in de schemeringstijd of pas toen het al volkomen donker was? Hoe was de helderheid van de sterren in vergelijking met die van de andere?"
* De volgende ochtend bespreken we de plaats van Orion. "In welke richting stond hij? Was hij aan het stijgen of aan het dalen? Wie klimt hoger: Orion of de zon?"
* Als de meeste kinderen Orion aan de hemel hebben zien staan, bespreken we zijn stand. Beklom hij de berg of daalde hij ervan af? Hoe veranderde zijn positie in de loop van de avond en hoe is hij daarbij van stand veranderd?
* Daarna kunnen er ook vragen komen over de hemelbaan van Betelgeuze in vergelijking met die van Rigel, en over hoe Orion staat ten opzichte van de Stier, de Tweelingen en Sirius in de Grote Hond.
* Het kan voorkomen dat enkele leerlingen maanden na de periode zelf bemerken dat Orion in de schemeringstijd veel westelijker aan de hemel staat dan in die ijskoude, donkere wintermaanden.

De kinderen hebben er veel meer aan dat ze elke avond opnieuw dezelfde beelden bekijken, waaraan ze steeds meer gaan zien, dan dat in de periode alle zichtbare sterrenbeelden aan bod komen. Wél is voor hen wetenswaardig op sterrenkaarten de namen van de sterrenbeelden op te zoeken en te kijken welke beelden bij elkaar staan.

We moeten er rekening mee houden dat de sterrenhemel wekenlang bedekt kan zijn. Bij aanhoudend bewolkt weer beperken we het aantal sterrenbeelden waarvan we de lichtcompositie en de helderheid van de sterren zo natuurgetrouw mogelijk natekenen. Wanneer de periode in januari of februari plaatsvindt en het weer valt mee, tekenen we in de tweede week de sterren van de Stier en de Tweelingen. Deze Dierenriembeelden hebben duidelijke herkenningspunten.
* De Stier: de Plejaden, het teer schitterende Zevengesternte waarvan we maar zes lichtvlekjes zien en de oranjeachtige Aldebaran.
* De Tweelingen: Castor en Pollux. Pollux is iets helderder dan Castor, de naam (Pollux) zegt het al.

Als de leerlingen 's ochtends vroeg al goed wakker zijn, kunnen ook de Leeuw, met de blauwige Regulus in de borst, en de Maagd, met de blauwige Spica in de are, getekend worden. Deze beelden zijn vooral aardig om te bespreken, als de klas een hele nacht bij elkaar zal blijven en meerdere keren buiten gaat kijken. Het opkomen van de Leeuw ziet er indrukwekkend uit. Hij verschijnt in januari pas laat op de avond boven de oostnoordoostelijke horizon. Bij het dalen laat hij een heel andere indruk achter dan bij zijn opkomst. Het verschijnen van de Maagd aan de (zuid)oostelijke hemel laat relatief lang op zich wachten. Alvorens Spica zichtbaar wordt, is de oranjekleurige Arcturus noordelijker aan de oostelijke hemel verschenen (ONO). De heldere Arcturus staat in het sterrenbeeld Ossenhoeder, bij de disselsterren van de Wagen. Regulus, Spica en Arcturus sieren in de lente en in het begin van de zomer de avondhemel.

Zes heldere sterren die in de winter aan de avondhemel opvallen, vormen een grootse zeshoek, de Winterzeshoek. Deze sterren worden in de avondschemering als eerste zichtbaar. Als de circumpolaire ster Capella (in de Voerman) hoog boven ons oplicht, staan de zes sterren aan de zuidelijke hemel. De ster die het zuidelijkst is opgekomen, Sirius, staat het laagst. Sirius beschrijft ongeveer dezelfde hemelbaan als de zon begin november of eind januari. In de wintermaanden staat bij het donker worden van de hemel alleen het noordoostelijke deel van de Winterzeshoek boven de horizon. In de loop van de avond worden ook de andere sterren zichtbaar. Hun volgorde van opkomst is: Aldebaran (Stier), Pollux (Tweelingen), Rigel (Orion), Procyon (Kleine Hond) en Sirius (Grote Hond.)
* De sterren Pollux, Aldebaran en Procyon staan elk etmaal meer dan twaalf uur boven de horizon. Ze klimmen hoger aan de hemel dan de zon in het begin van de lente.
* De sterren Rigel en Sirius zijn elk etmaal minder dan twaalf uur boven de horizon. Ze komen niet zo hoog als de zon in maart. De volgorde van ondergang is (op ionze noorderbreedte): Rigel, Sirius, Aldebaran, Procyon en Pollux.

Bij het klassikaal les geven slaan we over:
* Onoverzichtelijk grote sterrenbeelden zoals de Draak, de Slangendrager.
* De sterrenbeelden die tijdens de periode niet te zien zijn, maar in de lichte tijd van het jaar aan de nachtelijke hemel staan. In die maanden van het jaar wordt het pas zeer laat op de avond donker (zomertijd!) en 's ochtends is het al weer vroeg licht.
* Lichtzwakke sterrenbeelden. Ze zijn in de stedelijke gebieden moeilijk te vinden. Bovendien zijn ze veel moeilijker te onthouden dan heldere beelden.
VVan de Dierenriem zullen we wél de lichtzwakke beelden zoals de Kreeft en de Weegschaal bespreken, en ook de weinig zichtbare zomerbeelden Schorpioen, Boogschutter en Steenbok.

Namen van sterrenbeelden en sterren zoals Hercules, Orion, Castor en Pollux hebben een mythologische oorsprong.  Er kan terloops eens worden teruggeblikt op de verhalen uit de Griekse mythologie in klas 5. Nu in klas 7 beoefenen de leerlingen zelf waar te nemen; door het ene met het andere lichtpunt te verbinden kunnen ze zelf beelden ontdekken.

Bovenstaande benadering is gebaseerd op:
1) Een ruimtelijke benadering waarin alles "vast staat". .
2) De beweging van de sterren, hun vaste banen. Vergelijking van de sterbanen, met name de banen van de Dierenriembeelden, met die van de zon in de verschillende tijden van het jaar.
Deze benadering biedt veel houvast. Twaalfjarigen zijn nog niet vaardig in het voorstellen van bewegingen. Dit oefenen ze in deze periode.
Voor volwassenonderwijs geef ik echter de voorkeur aan de "Babylonische methode":
1) Een tijdsritme-benadering waarbij het gaat om de volgorde waarin de beelden na elkaar opkomen.
2) Kennis van de Dierenriemparen: "het lichte beeld dat nu ondergaat"en "het donkere beeld dat nu opkomt"
 

 

Bordtekeningen

Bij het natekenen van sterrenbeelden komen de leraar en de leerlingen te staan voor meerdere specifieke problemen. Daarom onderstaande praktische aanwijzingen. Bij onderstaande nummers hoort een tekening. Deze heeft hetzelfde nummer als de tekst. (De tekeningen moeten nog geplaatst worden.)

1. Op een groot, bij voorkeur zwart schoolbord wordt met wit krijt een eerste schets gemaakt van het sterrenbeeld; hiervoor is geen lineaal nodig. De lijnen die de ruimtelijke verhoudingen tussen de sterren aangeven, komen onder de goede hoek op het bord te staan. Men begint dus met de lijnen! Kies voor de stand van het sterrenbeeld bijv. die van vanavond om acht uur.
De lijnen tussen de nog in te tekenen lichtpunten zijn kort; er moet om een ster heen veel ruimte open blijven. Afbeeldingen van sterrenbeelden waarbij de lijnen tot aan de sterren zijn doorgetrokken 'fonkelen' niet.
Eventueel wordt het naburige sterrenbeeld ook zo geschetst. Let zowel op de onderlinge afstand als op de stand ten opzichte van elkaar.
Van achter uit de klas wordt het geheel beoordeeld. Je vergelijkt de bordtekening nauwgezet met de afbeelding uit het boek. Vanuit de verte is beter te overzien of de verhoudingen kloppen.
De verkeerd neergezette lijnen worden aangepast; de overbodig geworden witte lijnen worden met de hand (niet met een doek) min of meer weggeveegd.geveegd.

2. Als alle lijnen goed op het bord staan, teken je met wit krijt verschillend grote sterren. De helderste sterren worden het grootst getekend. De naburige lijnen worden verder ingekort. De helderste sterren hebben veel lege ruimte om zich heen nodig; anders kunnen ze niet oplichten.
Let bij het vergroten van de ster erop dat deze in het verlengde van desbetreffende lijnen blijft staan. Weer vergelijken we van achter uit de klas de bordtekening met het boek tot het beeld klopt. Nu komt nog de afwerking.
Hoe meer je geoefend hebt in het exact natekenen van de afstandsverhoudingen (kijk aan de hemel!), hoe gemakkelijker kun je de volgende ochtend de tekeningen van de leerlingen goedkeuren of verbeteren.

3. Kleur met de vlakke kant van het (in stukken gebroken) krijtje (licht- en donkerblauw, paars) het gehele bord vol behalve de directe omgeving van de sterren; deze blijft zwart of is wittig. De witte lijnen hoeven niet zichtbaar te blijven. Eventueel wis je met de hand het bord onregelmatig/levendig blauw-paars (kwaliteit schoolbord en krijtjes zijn van belang voor een fraai gekleurde hemel). Het wit van de gedeeltelijk weggeveegde lijnen geeft aan het geheel juist een speels effect. Je kleurt het geheel nog wat bij. Voor de volgende stap moeten de handen schoon gewassen zijn.

4. Met een lineaal en donkerblauw krijt worden tussen de middelpunten van de sterren dunne en korte lijntjes geplaatst. Trek deze hulplijnen niet door tot het zwarte gebied om de ster. Een lijn die te dicht bij de ster komt, 'dooft zijn licht uit'. Bij zo'n duidelijk beeld als de Wagen zijn er echter geen hulplijnen nodig. De leerlingen zien in de groep sterren direct een Wagen.
De heldere sterren met een oranje, rode of blauwige kleur worden met hun eigen kleur op het bord getekend, hun namen eveneens. De andere sterren krijgen een gele kleur. Let goed op de verschillende in helderheid: de helderste sterren worden veel groter getekend. Ze vallen veel meer op dan de lichtzwakke.
De namen van de heldere sterren worden met een geel krijt geschreven, die van de beelden met wit.

 

Tekeningen in het schrift

Op een groot blauw vel of dun karton, dat later in het periodeschrift wordt ingeplakt, tekenen de leerlingen met een scherp en hard zwart potlood heel exact dunne lijnen en punten. Vertel de leerling vooraf dat ze vooral groot moeten werken, want alleen dan is de kaart 's avonds, in het donker, goed te gebruiken. De opdracht is de afstandsverhoudingen, de lijnen, heel precies weer te geven.

Waarschuw de leerlingen dat het blauwe papier door het gummen gauw lelijk wordt. Eerst werken ze dus heel dun met een scherp, zwart potlood. Pas wanneer de leraar het geheel gecontroleerd heeft, mogen ze de gele sterren mooi laten oplichten.
Wanneer de leraar vindt dat de leerling de sterrenbeelden voldoende exact heeft weergegeven, worden de zwarte punten een voor een uitgegumd en vervangen door gele of anders gekleurde sterren van verschillende grootte. Wanneer de leerlingen een wit potlood hebben, dan kunnen de zwarte lijnen vervangen door dunne, witte lijntjes. De namen van de sterren en de sterrenbeelden worden met dezelfde kleuren geschreven:
* sternamen in het geel of oranje, rood, blauw,
* de namen van de beelden in het wit.
Controleer of de helderheid (de grootte) van de sterren goed is weergegeven. Overdrijf de helderste sterren.
Het blauwe vel wordt ingeplakt en de leerlingen gebruiken thuis hun eigen sterrenkaart voor het leren herkennen van het sterrenbeeld.