
Afb. De ochtendhemel midden
november omstreeks 7 uur.
De pronkende Venus domineert de zuidoostelijke hemel.
De oranjekleurige Mars en de Tweelingen staan van week tot week lager aan de
(noord)westelijke hemel.
De gelige Saturnus staat ten oosten van de blauwachtige
Regulus.
Mercurius duikt op in de ochtendschemering. Omstreeks 8 november komt hij bijna
twee uur voor de zon op.
De afbeelding
is er ook in groter formaat.
In november fonkelen aan de ochtendhemel de fraaie Dierenriembeelden Stier, Tweelingen en Leeuw. Bovendien zijn er dit jaar tijdens de ochtendschemering vier planeten goed zichtbaar. Elk is in een andere fase van zijn zichtbaarheidsperiode en gaat een andere weg. Hierdoor verandert de aanblik van de ochtendhemel van week tot week voortdurend
De intensief oplichtende Venus is veruit het helderste licht. Ze komt in de tweede helft van de nacht aan een fonkelende hemel op. Aan zo'n donkere nachthemel is goed te zien bij welke sterren ze zich bevindt. Begin november komt ze ongeveer gelijk met de staartster van de Leeuw op, ze beschrijft zo’n hemelboog als de zon op 13 september. Eind november komt ze op samen met de blauwige Spica, de helderste ster van de Maagd die de aar markeert. Het stijgen aan de zuidoostelijke hemel is een flink eind naar rechts verschoven. Ze klimt zoals de zon op 12 oktober en staat bij zonsopkomst niet meer zo hoog. Venus is altijd in de directe nabijheid van de zon en volgt de zon in zijn jaarlijkse stijgen en dalen. Nu het herfst is, verschijnt ze, net als de zon, van week tot week aanzienlijk zuidelijker. Eind november is de eigen glans wat minder. Bovendien is de hoogte op het moment dat de zon opkomt lager dan begin november. De tijden van de grootste glans en de langste zichtbaarheid zijn voorbij. Venus is op weg terug te keren naar de zon.
Daarentegen wordt de oranjekleurige Mars, die
in de Tweelingen staat, duidelijk veel helderder. Zijn zichtbaarheidsduur neemt
snel toe. Mars komt op 1 november al voor om 20 uur op, in het noordoosten op,
op 30 november ruim twee uur vroeger. Samen met de beide hoofdsterren Castor en de heldere Pollux komt
hij dag na
dag vroeger op en staan hij ‘s ochtends steeds verder op zijn hemelboog van
noordoost naar noordwest. De Tweelingen en Mars staan in de loop van de maand
steeds lager.
Mars verwijdert zich van de opkomende zon en is op weg
nachtplaneet te worden, in de nachten voor Kerstmis zal hij in grootste glans de
gehele nacht aan de hemel staan. Als voorbereiding hierop verandert hij op 15
november zijn oostwaartse gang langs de sterren van de Tweelingen in een
westwaartse gang; zijn plaats tussen de sterren verandert deze maand relatief
weinig.
Aan de ochtendhemel bereiken de Leeuw en Saturnus hun
hoogste positie. Het rustige, gelige licht van Saturnus volgt het fonkelende,
blauwachtige licht van Regulus, de ster bij het hart van de Leeuw, bij het
dagelijkse stijgen en dalen. Saturnus gaat deze gehele
zichtbaarheidsperiode na Regulus op en onder, zijn positie in de Leeuw verandert
relatief weinig.
De Leeuw en Saturnus staan van week tot week tijdens de ochtendschemering verder
westwaarts op hun hemelboog. De hoekafstand tussen Saturnus en Venus neemt deze
maand snel toe, terwijl die tussen Saturnus en Mars ongeveer hetzelfde blijft.
Tijdens de ochtendschemering is
Mercurius te bewonderen! Zoek hem in het verlengde van een grote boog die van
Mars over Saturnus naar Venus loopt. Mercurius komt pas op, wanneer de
oostelijke hemel begint op te lichten. De plaats van opkomst verandert snel
richting zuid. Op 1 november verschijnt hij waar de zon op 15 oktober opkwam; op
24 november klimt hij zoals de zon op 8 november klom. Tot 8 november verwijdert hij
zich van de zon en wordt de hoekafstand tot Venus snel kleiner, daarna neemt die
weer toe.
Mercurius blijft tot omstreeks 24 november zichtbaar. Dan komt hij nog maar ruim een uur voor de
zon op. Hij verdwijnt al weer in het licht van de opkomende zon, terwijl Mars op
weg is naar zijn oppositie met de zon op 24 december en nachtplaneet wordt. Elke
planeet heeft zo zijn eigen weg.