
Afb. De afnemende maan staat van ochtend tot ochtend dichter
bij de opkomende zon.
In september staat de gebochelde maan de volgende ochtend veel hoger,
de sikkel staat de volgende ochtend aanzienlijk lager.
Van 13 tot 17 september klimt de maan hoger dan de zon op de langste dag van het
jaar.
De afbeelding
is er ook in groter formaat.
In september worden de avonden koeler en vochtiger, het hoogtij van het groeien
en het bloeien van de planten ligt achter ons. Nu hun groei meer tot rust komt,
de vruchten en de zaden rijpen en veel blad reeds afsterft, is de afnemende maan
opvallend aanwezig.
Van 8 tot 21 september staat deze maan, waarvan de
linkerkant rond is, ‘s ochtends aan de hemel. En hoe! Elke volgende ochtend ziet
de hemel er zo anders uit. In geen andere maand van het jaar verandert de
aanblik van de ochtendhemel van dag tot dag zo sterk.
De afbeelding toont de posities van de afnemende maan om 6 uur, de zon zal over drie kwartier opkomen. De sterren en de maan zijn aan het verbleken, de oostelijke hemel is op dit moment aanzienlijk lichter dan de westelijke. De maan geeft minder licht dan toen de hemel nog donker was. Haar glans verdwijnt en haar contour wordt minder scherp. Wanneer tegen 7 uur de zon opkomt, valt de maan niet meer op. Je kunt haar nog wel zien: zoek een klein, wazig wolkje meer naar rechts. Hoe later op de ochtend je kijkt, hoe verder de maan zich bevindt op haar dagelijkse boog van oost naar west.
Door elke ochtend op hetzelfde uur naar de maan te kijken en de huidige situatie te vergelijken met die van gisteren, ontdek je weldra hoe de afnemende maan en de zon zich tot elkaar verhouden. De afnemende maan staat de volgende ochtend dichter bij de opkomende zon, ze komt van dag tot dag later op. Hoe geringer de afstand tot de zon, hoe kleiner haar schijngestalte.
In de week dat de maan afneemt van volle tot halve maan (van 7 tot 14 september) staat de gebochelde maan de volgende ochtend om 6 uur aanzienlijk hoger aan de westelijke hemel en trekt ze meer de aandacht. De afnemende halve maan staat op 14 september tijdens de ochtendschemering in het zuiden opvallend hoger (ongeveer 10 keer haar eigen diameter) dan de zon op de langste dagen van het jaar. Van 13 tot 17 september klimt de maan nog hoger dan de zon in juni.
Zoek op 15 september om 8.11 uur de maan: zo hoog als ze dan in het zuiden staat, is een gedenkwaardige hoogte. Men heeft berekend dat pas over ongeveer 20.000 jaar de maan weer zo ver ten noorden van de hemelevenaar kan staan als op deze dag (Jean Meeus, Astronomical Algorithms, blz. 147 en 148, Willmann-Bell, zie Stichting De Koepel
In deze samenhang is de gedeeltelijke verduistering van de volle maan op 7 september interessant. Na haar opkomst wordt van 20.05 tot 21.38 alleen de noordelijke rand verduisterd. Om 20.51 uur is 18% van de diameter in de aardschaduw gedompeld. De maan trekt pas in de nacht van 8 op 9 september door de klimmende knoop (gezien vanuit Nederland). Vervolgens staat ze tot 15 september steeds verder ten noorden van de zonneweg (5 graden en 17' om 3.27 uur, dit is berekend vanuit het midden van de aarde)
In de week dat de maan afneemt van halve maan tot smalle ochtendsikkel (van 14 tot 21 september) staat de sikkel de volgende dag tijdens de ochtendschemering aanzienlijk lager. Ze valt als het ware van haar extreme hoogte snel ter aarde neder. Wanneer de omstandigheden optimaal zijn, kan op 21 september kort voor zonsopkomst heel even een ragfijne ochtendsikkel bewonderd worden. Dan is de maan geheel en al verdwenen in het licht van de opkomende zon, de volgende dag verschijnt er geen maan meer aan de ochtendhemel. De afnemende maan "sterft" als het ware in het ochtendgloren. In september gebeurt dit verdwijnen in het licht van de opkomende zon veel indrukwekkender dan in de andere maanden van het jaar. Vooral dit jaar, nu de stijgende maanknoop in de Vissen is en de maanbaan in de Ram en de Stier steeds verder ten noorden van de zonneweg (gestreepte lijn) ligt. De halve maan zo hoog, de sikkel de volgende ochtend zo veel lager!
Op 22 september gaat de maan met de zon op en onder (nieuwe maan). De volgende avond begint volgens de islamitische kalender de negende maan-maand, de Ramadan. In Mekka is na zonsondergang de avondsikkel even met een verrekijker te zien. Op onze noorderbreedte kan in september de wassende maan pas twee of drie dagen na nieuwe maan zichtbaar worden. Na zo’n krachtig sterven van de afnemende maan, laat de wassende maan extra lang op zich wachten.
Op 19 juni 2006 viel de klimmende knoop van de maanbaan samen met het lentepunt,
dat zal weer gebeuren op 29 januari 2025, 10 september 2043, 22 april 2062, 1
december 2080 en op 13 juli 2099 (na 18 jaar en ruim 7 maanden, na 6798
dagen).
5 of 6 keer in een eeuw staat de klimmende maanknoop bij het lentepunt. In die
jaren staat de maan, wanneer ze in de buurt van het zomerzonnewendepunt is
(tussen de Stier en de Tweelingen staat) extreem hoog aan de hemel. Slechts twee
weken later, wanneer de maan in de buurt van het winterzonnewendepunt is (zich
tussen de Schorpioen en de Schutter bevindt), staat de maan extreem laag. Dat is
zo in 2005-2007 en dan weer over ruim 18 jaar.
Berekend vanuit het middelpunt van de aarde is de helling van de maanbaan op
de zonnebaan (ecliptica)ruim 5 graden. In 2005-2007 staat de maan, berekend
vanuit het middelpunt van de aarde, in de Stier en de Tweelingen 5 graden ten
noorden van de zonnebaan en in de Schorpioen en Schutter 5 graden ten zuiden van
de zonneweg. (Zie de maanartikelen van 2005 - 2007 en de Sterren- en
Planetenkalenders van die jaren)
De helling van de maanbaan t.o.v. de zonnebaan is echter niet constant.
Gemiddeld is die 5 graden en 9 boogminuten. Er is echter een schommeling van
max. 8 boogminuten meer of minder. Na 173 dagen is de baanhelling weer het
grootst: 5 graden en 17 boogminuten. Zie de Sterrengids blz 102 en 103, artikel
van Jean Meeus, voor een verklaring, het betreft de draaiing van de knopenlijn. (Uitgave
van Stichting De Koepel.
Jean Meeus geeft in zijn boek Morsels p. 27 een tabel van de grootse noordelijke en zuidelijke declinatie van de maan (geocentrisch berekend). Al deze extreme hoogtes van de maan vinden plaats in het jaar dat de klimmende maanknoop het lentepunt passeert (zie bovenstaande tekst). Bovendien liggen alle data in maart en september (of begin oktober), dus rond het begin van de lente of de herfst! De baanhelling is dan maximaal: 5 graden en 17 boogminuten. (Verklaring: dan is de knopenlijn van de maanbaan naar de zon gericht.
Op 15 september 2006 bereikt de maan zijn grootste noordelijke declinatie van dit jaar: 28 graden 43 boogminuten en dan nog 22 boogseconden (3.27 uur zomertijd). Op 22 maart 2006 stond de maan op zijn laagst: de zuidelijke declinatie was maar - 28 graden 43 boogminuten en 23 boogseconden (ofwel -28 graden 43'23").
In 2025 zijn de beide recorddagen in maart. Ruim 18 jaar later, in 2043, zijn de beide recorddagen in september. In 2062 vallen ze in maart en in 2080 en 2081 is het net andersom als dit jaar: iseptember 2080 staat de maan op zijn laagst, en maart 2081 op zijn hoogst.
In die komende recordjaren komt de maan echter net iets minder hoog boven de hemelevenaar uit. Dit betreft boogseconden ofwel het gaat hier om records die interessant zijn voor de statistieken. Bovendien gelden de berekeningen voor het middelpunt van de aarde. De waargenomen hoogte van de maan in het zuiden, gezien vanaf een bepaalde plaats, kan nogal variëren!
Voor een verklaring van 15 september 2006 als een gedenkwaardige dag moeten we kijken naar een ander gebeuren: de helling van de zonnebaan ten opzichte van de hemelevenaar. Ook deze is niet constant! We zijn nu in een periode dat deze helling heel langzaam maar zeker afneemt. De volgende keer dat de klimmende maanknoop bij het lentepunt staat, is de helling van de zonnebaan ten op zichte van de hemelevenaar bijna 9 boogseconden kleiner.
Terwijl de helling van de maanbaan om de zonnebaan schommelt tussen 5 graden
en 17 boogminuten en 5 graden en 1 boogminuut (in een ruim 18
jarige periode), verandert ook nog eens de helling van de ecliptica t.o.v. de hemelevenaar.
Deze verandering heeft een extreem lange periode: we zijn nu halverwege de twee extreme
jaren: 7530 voor Chr. en 12.030 jaar na Chr.
Het maximum was 24 Graden 14'07" in het jaar 7530 v. Chr. De helling wordt
minimaal in het jaar 12.030 na Chr., dan is deze 22 graden 36'41".
Vandaar dat de komende millennia de (18jaarlijkse) geocentrische extreme noordelijke
en zuidelijke declinaties van de maan geleidelijk lager en lager worden.
Pas over ongeveer 20.000 jaar zal de grootste noordelijke declinatie van de maan (geocentrisch berekend) weer boven
die van 15 september 2006 (28 graden 43'22") uitkomen.
Interessant is dat in vroegere millennia de zon in juni hoger stond dan nu en in december lager. De verschillen zijn minimaal, maar bij archeologisch onderzoek van bijv. oude zon- en maanheiligdommen duizenden jaren geleden moet hiermee rekening worden gehouden.
Nu is de (gemiddelde) helling van de zonnebaan t.o.v. de hemelevenaar 23 graden, 26 boogminuten en 21 boogseconden. De echte helling van de zonnebaan ten opzichte van de hemelevenaar varieert miniscuul weinig! Deze hangt immers af van de nutatie.
In 1900 was de gemiddelde helling 23 graden 27'08". In 2100 is de helling
afgenomen tot 23 graden 25'35". Wat betekent dit voor het waarnemen? Hoe groot
zijn deze verschillen in de praktijk?
De gemiddelde diameter van de maan is een halve graad ofwel 30 boogminuten, dat
zijn 1800 boogseconden. In een eeuw neemt de helling af met 93
boogseconden (60 + 33). Het duurt dus heel lang totdat je kunt bemerken dat de
zon bijv. op de langste dag van het jaar lager staat. Over ongeveer 2000 jaar
zal de zon op de langste dag van het jaar een halve graad lager staan. En op de
kortste dag van het jaar, zal de zon dan een halve graad hoger staan.
De maan staat elke maand twee weken ten noorden van de zonnebaan en twee weken ten zuiden ervan. In de komende 10.000 jaar staat de zon, wanneer die in juni op zijn hoogst in het zuiden staat, wat minder hoog en in december iwat minder laag. De zonnebaan krijgt een iets vlakkere helling krijgt ten opzichte van de hemelevenaar, vandaar dat de maan tijdens zijn extreme jaar (in een periode van ruim 18 jaar) minder kan "pieken".