Afb. Deze eeuw bevindt de heldere ster van de Kleine Beer zich dicht bij de hemelpool (H.P.),
vandaar de naam Poolster.
In de loop van ongeveer 25.920 jaar verschijnen sterren van bepaalde beelden,
zoals de Zwaan en de Draak, in de nabijheid van de hemelpool.

De afbeelding is er ook in groter formaat.
 

De grote rondgang van de sterrenhemel

De heldere lichtblauwe Wega en de Zwaan, die zijn grote vleugels uitslaat, staan in het begin van de avond laag aan de noordoostelijke hemel. In de loop van de nacht klimmen zij met de naburige sterren steeds hoger aan het firmament. Eén ster, de Poolster, blijft echter in het noorden op dezelfde hoogte. Hij bevindt zich bij de hemelpool, het vaste punt boven de noordelijke horizon waaromheen alle sterren hun dagelijkse rondgang maken. De hemelbogen van Wega en de Zwaan veranderen tijdens je leven nauwelijks. Na duizenden jaren zijn de veranderingen echter niet meer te veronachtzamen.
 

In de loop van duizenden jaren ...

De afstand van de sterren tot de hemelpool verandert heel langzaam. De Dierenriembeelden komen iets noordelijker of iets zuidelijker op, de hoogte en de lengte van hun hemelbogen veranderen. Omstreeks 2500 v. Chr. stond een lichtzwakke ster van het onoverzichtelijke sterrenbeeld Draak bij de noordelijke hemelpool. In die periode cirkelden alle sterren om Thuban in de Drakenstaart.

Vier millennia later, ten tijde van de grote ontdekkingstochten, bood de hemel een veel gemakkelijker ruimtelijke oriëntatie. Bij de hemelpool stond een duidelijk herkenbaar sterrenbeeld. Toen Columbus de Atlantische Oceaan overstak, stond de heldere staartster van de Kleine Beer al dicht bij de hemelpool. Aan zijn hoogte konden de zeevaarders aflezen of hun schip een te noordelijke of te zuidelijke koers had.

De heldere Deneb zal over 8.000 jaar elke nacht in het noorden te bewonderen zijn. Sterrenliefhebbers kunnen zich met een oogopslag oriënteren, maar deze ster van de Zwaan komt niet zo dicht bij de hemelpool dat je aan hem ook kunt aflezen op welke noorderbreedte je je bevindt.
 

De mensheid heeft elke 2000 jaar
een andere sterrenhemel om zich te oriënteren

 De cirkel op de afbeelding laat zien welke sterren bij de noordelijke hemelpool kunnen staan. Thuban en de staartster van de Kleine Beer staan elke 72 jaar een graad verder verwijderd van de hemelpool. Na 2160 jaar staan “de vroegere Poolsterren” 30 graden verder weg van de hemelpool (met de klok mee).
Over 12.000 jaar is de sterrenhemel nog meer veranderd. Probeer eens op een mooie sterrenavond een beeld te vormen hoe de hemel omstreeks het jaar 14.000 eruit ziet: ongeveer waar nu de Poolster staat, bevindt zich dan de heldere, lichtblauwe Wega. De sterrenhemel schuift in zijn geheel op. De staartster van de Kleine Beer beschrijft elk etmaal bijna zo’n grote cirkel om de hemelpool als nu Wega. De Stier en de Tweelingen zullen dan dagelijks net zulke lage en zuidelijke hemelbanen doorlopen als nu de Schorpioen en de Schutter. In Europa blijft Orion verborgen onder de zuidelijke horizon.
Na ongeveer 25.920 jaar zijn de huidige sterrenkaarten weer goed te gebruiken.  De staartster van de Kleine Beer dient opnieuw als Poolster en van de Dierenriem beschrijven de Stier en de Tweelingen weer de hoogste en langste hemelbogen. In ongeveer 25.920 jaar beschrijft de sterrenhemel een grote rondgang. In dit zogenaamd Platonisch Wereldjaar pendelt de sterrenhemel.

De mensheid krijgt elke 2160  jaar een andere sterrenhemel om zich te oriënteren. In de oude Egyptische cultuur beschouwden de priesters een periode van 72 jaar als een dag van een wereldjaar. Rudolf Steiner maakt ons erop opmerkzaam dat een mens elke dag ongeveer 25.920 keer in- en uitademt (18 x 60 x 24) en dat hij gedurende een leven van 72 jaar ruim 25.920 keer (72 x 360) wakker wordt en gaat slapen. Het leven van de mens toont overeenkomende ritmes als  het grote ritme van de sterrenhemel.